Interview: Spinvis

Wanneer ik Erik de Jong (Spijkenisse, 1967) bel om een afspraak te maken, hoor ik meteen Spinvis in zijn routebeschrijving: “Neem de tram naar Nieuwegein Zuid. Niet naar Nieuwegein Centrum. Als je daar uitstapt, verdwaal je en kom je nooit meer terug…” Zonder een spoortje ironie fluistert hij de laatste zin geheimzinnig door de telefoon, alsof hij je een sprookje binnenleidt.

De Jong haalt me op bij de lege-flessen-automaat van de C1000 te midden van de nieuwbouwarchitectuur van Nieuwegein. Hij wijst naar de huizen: “Er wonen hier grotendeels bejaarden. Ook als je heel jong bent als je het huis koopt, word je na het ontvangen van de sleutel opeens bejaard. Heel gek.” De meeste mensen in Nederland zien hem als de ‘knip-en-plak’-huisvader op een zoldertje in Nieuwegein. Daar heeft De Jong genoeg van. “Op mijn eerste album stond zo min mogelijk informatie over mijzelf. Dat werd al snel een gimmick voor de media, mensen gingen door mijn straat rijden om te kijken wie die rare man toch was. ‘We hebben hem gevonden, het is een postbode uit Nieuwegein!’ Dat is nu wel mooi geweest.” Wat trekt hem dan toch aan in deze plek? “Ik vind het hier gewoon prettig wonen. Maar als mijn jongste zoon uit huis gaat, verhuizen we misschien wel weer. Naar het zuiden. Brabant, België wellicht. Sowieso niet Amsterdam.”

De studio van Spinvis blijkt niet meer op zolder te zijn, maar juist in de kelder van zijn ruime woning. “Hier werk ik, meestal ’s nachts tussen twaalf en drie. Hier staat mijn werk nog los van de wereld en kan ik alleen zijn met mijn ideeën.” Hij laat de cassettebandjes van zijn nieuwste multimediale theatervoorstelling ‘De Weerman’ zien. Zijn ogen glinsteren als hij erover vertelt: “In de voorstelling ben ik de weerman en met een taperecorder speel ik dan het weer af, maak ik letterlijk regen of wind. Het is veel werk om het allemaal van de computer op die bandjes te zetten, maar het gaat om het effect hè.”

Aan het werk

Je spreekt vaak over je ‘laboratorium’. Zie je jezelf als een moderne alchemist?
“Mijn vader was chemicus; er zijn zeker overeenkomsten. Het leukste van mijn werk is het samenbrengen van de appel en het ei, om dingen die niet samen horen in een spannende harmonie bij elkaar te zetten, om nieuwe verbindingen te leggen. In mijn werk ben ik eerder een schilder dan een pure muzikant. Ik zit hier te componeren achter het beeldscherm, als een vormgever. De software waarmee ik muziek maak, is dezelfde software waarmee je video’s maakt.”

Meteen corrigeert hij zichzelf, om niet het beeld van de Nieuwegeinse kluizenaar in stand te houden: “Mijn liedjes moeten wel een groot publiek aanspreken, ze moeten communiceren. Ik ben geen eenzame kunstenaar die dingen voor zichzelf maakt. Die connectie met de buitenwereld moet er uiteindelijk wel komen. De popindustrie is ook een amusementsindustrie, daar verstop ik me niet voor. Mijn lievelingsmuziek is ook heel commercieel: ABBA, The Beach Boys, the BeeGees, the Beatles. Maar onder dat poppy geluid zit heel veel: enge dromen, wilde fantasieën.

Dat is niet altijd zo geweest. De muziek van voor je eerste album was totaal ontoegankelijk.
De basis was hetzelfde, maar ik kon die stap naar het publiek niet maken. Ik gebruikte vooral radiostemmen en zong er zelf niet bij. Dat durfde ik niet; ik ben geen zanger. Toch schreef ik wel de hele tijd regels op. Tot op een dag de bliksem insloeg en ik die regels zelf ben gaan zingen. Dat bleek de missing link te zijn. Nu had ik een vorm die iedereen kent: een liedje van drie minuten, met een zanger. Dat was geen ‘experimentele muziek’ meer, maar het verschil is eigenlijk heel klein.

Hoe blijf je jezelf uitdagen?
Ik weet niet of je dat bewust doet. Je maakt dingen die je mooi vindt. Soms kom je daarbij op traditioneel terrein, want daar heb ik ook veel liefde voor, en soms betreed je dan de verse sneeuw.
Maar ik zoek geen grenzen op, wil ook niet avantgardistisch zijn of zoiets. Ik ben vorige week 50 geworden en dan ga je nadenken: wat wil ik echt doen? Ik heb de afgelopen jaren zoveel verschillende dingen gedaan: theater, film, hoorspelen. Nu ben ik er wel achtergekomen dat ik het meest houd van popliedjes. Gewoon, drie a vier minuten. Daar wil ik de rest van mijn leven aan wijden, dat is de kern van wat ik wil doen. Dan moet ik me niet teveel laten afleiden door andere dingen.

Je hebt je rust gevonden?
Nee, integendeel. Je voelt de adem van de tijd nog sterker in je nek. Het is juist meer rusteloosheid dan ooit. Maar het dwingt je wel tot een focus.”

 

Het rondje

Wordt het moeilijker om een connectie te maken met het jonge publiek?
“Welnee. Ik ga veel met jonge mensen om en ik vind de nieuwe generatie te gek. Ik heb weleens een ‘Meet & greet’ en laatst was er een meisje van negentien bij. Die herkende in mijn muziek Kate Bush en Alan Parsons en allerlei andere namen uit mijn tijd. Ik dacht: “Wauw, meisje, hoe kom jij daar nou aan?” Dat vind ik heel leuk aan deze generatie. Er is niet een duidelijke norm: alles kan hip zijn. Het maakt niet uit, ze zeggen de hele dag: kom maar, kom maar. Er is ook veel meer toegang tot muziek dan vroeger. Ik moest drie weken mijn krantenwijk lopen en dan kocht ik eindelijk een elpee. Dan moest je hem ook wel mooi vinden, na al dat werk. Elk liedje ging je dan eindeloos draaien. Dat bestaat niet meer. Het is nu: ‘tak, tak, ja!’ of ‘tak, tak, nee.’ Maar dat is niet per se slechter.

Jij gaat zelf niet mee in die snelheid.
Dat is mijn persoonlijkheid. Ik ben niet lui, maar wel langzaam. Blijkbaar heeft het die tijd nodig. Je draait altijd hetzelfde rondje [gebaart in de lucht]: je begint ergens waar het goed voelt, maakt vervolgens een hele lange omweg waarbij je alle alternatieven verkent en keert uiteindelijk weer terug bij dat begin. [lacht] Dan zou je zeggen: waarom maak je dat rondje dan? Maar het is toch anders als je bij een begin terugkeert, dan als het je enige optie is. Voor Spinvis heb ik een rondje van veertig jaar gemaakt. Ik heb op mijn twintigste een single uitgebracht, discomuziek. Als dat een succes was geweest, was Spinvis er nooit geweest. Dan was ik een soort DJ Tiësto geworden. Het is voor mij een zegen dat ik later, met iets meer rust in mijn hoofd, mijn eerste album heb gemaakt.


Wat is er in de tussentijd gebeurd?
Ik heb in fabrieken gewerkt, heb daar enorm veel mensen leren kennen. Ik zag elke dag van dichtbij hoe mensen met elkaar omgaan, wat ze zeggen en vooral ook wat ze niet zeggen. Dat is nog steeds een oneindige inspiratiebron voor mijn teksten, mijn grote kapitaal.

Die teksten zijn gevonden stukjes uit het leven. Dat roept veel herkenning op. Als je dat zo rangschikt dat er een surrealistische sfeer ontstaat, dan til je dat normale ook nog naar een hoger plan. Samen vormt het dan een nieuw verhaal, een nieuwe werkelijkheid. Het leven is natuurlijk absurd en wij leggen daar een rationele filter overheen. Net als in dromen, dan lijkt ook alles heel normaal. Die filter heb je nodig, anders word je gek. Je doet alsof in die grote chaos alles keurig op z’n plek staat. Ik probeer die filter heel even uit te schakelen. Dat lijkt willekeurig, maar het is echt een kwestie van zorgvuldig puzzelen.

Wanneer schrijf je iets op?
Ik luister goed naar hoe mensen praten, naar zinsconstructies. In spreektaal zitten veel herhalingen of afgebroken zinnen, dat is bijna muziek. Het moet kloppen, ik ga geen geforceerde proza schrijven. Ik heb in ‘De Weerman’ een tekst waarin de zin “Het klaart al op” voorkomt. Dat is natuurlijk mooi. Maar mensen zeggen: “Het is weer droog”. Dat is misschien saaier, maar het klopt wel met de dagelijkse realiteit. Daar gaat het om.”

Foto: Mirte Slaats

De weerman

De Jong wordt soms afgeschilderd als arrogant en afstandelijk. In de Groene Amsterdammer schreef dichter en recensent Erik Lindner dat de Jong tijdens een avond over surrealisme in Rotterdam hem had toegebeten dat hij moest ‘opzouten’ toen hij bij hem en een paar andere dichters aan tafel plaatsnam. Lindner sprak vervolgens van ‘De Spinvis-paradox’: artiesten die doen alsof ze de luis in de pels zijn, maar ondertussen alle macht in handen hebben. Van dit beeld blijft tijdens ons gesprek niets over; het lijkt erop dat Lindner vooral in zijn eigen ego aangetast was. Maar die afstandelijkheid tijdens optredens, die heb ik ook ervaren.

Je maakt op het podium weinig contact met je publiek.
“Ik denk daar veel over na. Je kunt niet jezelf zijn op een podium. Veel zangers en zangeressen gaan daarom het lied lopen acteren: gepijnigd kijken bij een zielig liedje. Je gaat dan in feite tussen de toeschouwer en de muziek staan. Alsof je naar een film kijkt en de regisseur de hele tijd voor het doek springt: joehoe, kijk eens! Dat wil ik niet. Dus ik probeer een manier te vinden om wel beleefd te zijn, maar me toch vooral op het spelen te concentreren. Ik was laatst in de Notre Dame in Parijs, daar begon een vrouw prachtige kerkmuziek te zingen. Ik zag haar niet, maar het was duidelijk live en ik was ontzettend ontroerd. Dat is de puurste vorm. Je bent alleen maar een boodschapper.

Wil je dan helemaal niet bewonderd worden?

Natuurlijk heb ik mijn ijdelheid, zoals iedereen. Maar ik ben geen performer. Vroeger had je techno-albums zonder artiestennaam erop, maar dat maakte niets uit. Dat is vergelijkbaar met kerkmuziek. Het maakt niet uit wie het maakt, als je het maar voelt.”

De Jong is niet politiek actief, maar tussen de regels door klinkt wel degelijk maatschappijkritiek. Het nummer ‘Voordeel van video’ gaat bijvoorbeeld over de toenemende inbreuk op privacy: “Ik ken de kamer waarin u woont/En als u huilt aan de telefoon/U danst zo mooi soms/Dat zie ik ook/Dat is het voordeel van video”. Op weg naar zijn huis leek hij naar dit nummer te verwijzen toen hij bij een stoplicht zei: “Kijk, je moet in dat witte vlak gaan staan, anders wordt het niet groen. Anders weten ze niet dat je er bent.”

Je hebt het vaak over ‘Nederlandse romantiek’. Is dat niet een contradictio in terminis?
“Hou toch op met die zelfhaat. Altijd maar dat ‘weg met ons!’. Net zoals mensen roepen: “Nieuwegein? Hoe kan er nou iets moois uit Nieuwegein komen?!” Terwijl diezelfde mensen een zanger uit een klein dorpje in Arizona aanbidden. Het Nieuwegein in Amerika is dan opeens heel romantisch. Lees de boeken van Gerard Reve, de gedichten van Marsman. Er is niets mis met de Nederlandse ziel. We zijn niet saai. We zijn net zo poëtisch als de Fransen of de Italianen. Dat is precies wat ik probeer uit te drukken met wat ik doe.

En dan met name de gewone, kleine mensen.
Dat is ook onzin, die bestaan helemaal niet. Iedereen heeft verlangens, geheimen, fantasieën, nachtmerries. Dat is echt allemaal hetzelfde. Alleen kan de een het beter verwoorden en speelt dat ragfijne sociale spel beter dan de ander. Mensen die jij klein noemt, zijn gewoon minder behendig. Dan gaan ze deuren dichtgooien, worden ze bang en gaan zich vasthouden aan wat ze kennen: voetbal, Oh oh Cherso, auto’s. Maar van origine zijn dat ze net zulke grote bloemrijke mensen als iedereen. Daar kom je wel achter als je in een fabriek werkt. Al je vooroordelen worden overhoop gegooid. Je denkt vaak: dat is gewoon een botte hond. Maar eigenlijk is dat nooit zo.

Je begrijpt de onvrede van de maatschappelijke onderklasse dus goed?
Absoluut, daar kan ik me heel goed in inleven. Ik zie ook hoe die boosheid gebruikt wordt voor het verkeerde doel, dat volg ik allemaal op de voet. Er wordt een oorlog voorbereid. Dat gaat langzaam, zoiets duurt vijf jaar. Het wordt een heel ander soort oorlog dan we kennen, maar hij is in de maak, de pannen staan op het vuur.

Dat is jouw voorspelling als weerman.

De vraag in de nieuwe voorstelling is: wat hangt ons boven het hoofd? Het weer is onvoorspelbaar, net zoals onze politieke koers. Ik kijk regelmatig op de websites van de Telegraaf, Elsevier en GeenStijl. Daar staat dan een bericht dat heel provocatief geformuleerd is, ik word er zelf ook bijna kwaad van. Mensen storten die primaire woede uit in een reactie. En daarboven staat dan een banner van Opel of MacDonald’s, dus die verontwaardiging wordt ook gewoon commercieel uitgebuit. Haat is lekker en het verdient ook nog goed. Dat is heel vreemd.

Onweer, dus?
Nee, uiteindelijk ben ik toch heel optimistisch, ondanks de oorlogsvoorspelling. Er ontstaan nieuwe omgangsvormen en dat is niet per se negatief. Het is een moeilijke tijd, maar juist nu zie je ook zoveel mooie dingen. Wat dat betreft heb ik een dubbel gevoel. Maar als ik naar jonge mensen kijk, dan denk ik: het komt goed.”

(Verschenen op hard//hoofd, 2012)

Leugenland

Samen met regisseur en goede vriend Stephane Kaas werk ik al een paar jaar aan de film Leugenland. In 2010 interviewde ik Etgar Keret, een van mijn favoriete schrijvers, in Tel Aviv. Dat gesprek bleef me nog lang bij. Etgar gebruikt een fascinerende mix van rauw realisme en frivole fantasie: nieuwe vriendinnetjes die ’s nachts in dikke mannetjes blijken te veranderen, een meisje dat onder de tong van haar geliefde een ritssluiting ontdekt, een engel die gewoon een leugenaar met vleugels bleek te zijn. Dit bleek ook voor zijn persoonlijke anekdotes te gelden. “Mijn vrouw dacht eerst dat ik een pathologische leugenaar was,” gaf hij toe. De verhalen over de ontmoeting van zijn ouders of de herkomst van zijn proza klonken inderdaad bijna net zo bizar als zijn fictie.

Tot mijn verrassing zocht Keret later weer contact. Toen ik met Stephane plannen besprak om een korte film van een van de extreem korte verhalen van Etgar te maken, kwamen we op het idee om fictie en documentaire te vermengen. Geheel in de stijl van de schrijver zelf. Productiemaatschappij BALDR voegde zich bij ons team in de persoon van Katja Draaijer. Met de steun van omroep NTR ontvingen we een eerste researchsubsidie van het Mediafonds, waarmee we twee keer naar Israel reisden om ons in Etgars vreemde leven onder te dompelen. Met name Uzi, Etgars beste vriend, was een grote openbaring voor ons. Een luie miljonair-filosoof die vooral veel van zijn hond en neuken hield. We kwamen steeds dichter bij onze thematiek: de film moest over de dynamiek van het verzinsel, van de leugen gaan. Etgar verzint dingen omdat hij van het leven houdt, maar ook om een bepaalde pijn op afstand te houden. Die vraag willen we met een zeer speels scenario te lijf gaan.

We hebben een subsidie van het Mediafonds gekregen en zijn in juni begonnen met draaien in New York, waar de Engelse versie van Etgars eerste nonfictieboek ‘Seven Good Years’ verscheen.

unnamed

Commentaar: Robin Williams

Wat was er eerder, de depressie of de acteur? Acteren is moeilijk, maar dit werk lijkt ook de zwaarmoedigen aan te trekken. Mensen die diep bij zichzelf moeten graven. Het blijft altijd weer vreemd om de treurige verhalen van achter de schermen te horen, als we de zelfverzekerde, warme, alles overwinnende acteur in ons hoofd hebben. Wie had zien aankomen dat Philip Seymour Hoffman aan de heroïne verslaafd was? Dat Heath Ledger een wrede mix van slaappillen slikte? Met zoveel succes, zoveel talent, zoveel charme?

Ik werd vanochtend door mijn radio gewekt met het nieuws over Robin Williams. Zelfmoord door verstikking, waarschijnlijk. Eigenlijk wilde ik me meteen weer omdraaien. Buiten regende het pijpenstelen en rommelde het onweer, om nog eens te benadrukken wat voor treurige nieuwszomer het tot nu toe is. Het bericht raakte me verrassend diep – zoals ik eerder dit jaar ook oprecht geschokt was door het overlijden van Seymour Hoffman. Misschien omdat ik nu oud genoeg ben om een band met overleden beroemdheden te voelen – anders dan met Eleanor Parker of Peter O’Toole. De dood van Williams voelt als het verlies van een vriend; of op z’n minst een goede kennis.

Zijn films hebben mij opgevoed. Hij leerde me met Mrs. Doubtfire dat familie het belangrijkste is, toonde me de schoonheid van rebellie in Dead Poets Society, en vertolkte een heel leven vol liefde en verdriet in The World According to Garp. Ik ontdekte een patroon in zijn films: van Good Morning Vietnam tot Awakenings, en van Aladdin tot het minder geslaagde Patch Adams: altijd was hij de luis in de pels, die het zure establishment opschudde met humor, warmte en heel veel energie. Het was dan ook niet verrassend dat juist hij gecast werd als Peter Pan in Hook. De conservatieve schoolhoofden, legercommandanten en ziekenhuisdirecteuren stonden steeds weer met de armen over elkaar hoofdschuddend toe te kijken terwijl hij jonge mensen opzweepte met zijn capriolen. Op die manier vertolkte hij de American Dream, een figuur die wars is van autoriteit en zijn dromen compromisloos najaagt, hoewel hij in Dead Poets Society benadrukte dat je niet moet doorschieten in je fanatisme. Hij was de gekke, wijze vader. Ook ver buiten de Verenigde Staten herkenden we ons in dit sentiment.

Zijn hoogtepunt beleefde Williams met Good Will Hunting, mijn favoriete film. Het script van Matt Damon en Ben Affleck deed hem tot ongekende hoogten stijgen, als de psychiater Sean Maguire. De eerste interactie tussen Williams en Damon, de speech op het bankje in het park en de scène waarin de mentor zijn leerling van alle schuld vrijwaart zijn van een grote schoonheid. Hij kreeg er een Oscar voor. Ik weet nog goed hoe ik de film met mijn vader keek en we allebei moesten huilen. All this shit, it’s not your fault.

Natuurlijk was het geen perfecte carrière. Williams balanceerde altijd op het randje van het melodrama, en soms viel hij aan de verkeerde kant, zoals met het drakerige What Dreams May Come. Ik was ook geen fan van de paradigmawisseling van begin jaren ’00, toen hij plotseling in Insomnia en One Hour Photo de slechterik speelde. Zijn stand-up comedy was me ook te schreeuwerig en onnodig plat, hoewel zijn imitatie van een beffende man (met zijn harige arm) wel legendarisch is.

De laatste jaren verdween hij uit beeld. Hij dook even op in Louie, in een prachtige aflevering over de dood. Onlangs luisterde ik een interview met hem op de WTF-podcast, waarin hij openhartig vertelt over zijn verslavingen. Zijn optimisme in dit gesprek heeft iets geforceerds, en opeens begrijp je waar al die energie vandaan komt. Als je een grote vuilnisbelt moet verbergen, heb je een hoge muur nodig.

Er is een scène in Dead Poets Society (een film die in retrospectief veel over Williams zegt) waarin hij als de leraar Keating een verlegen jongen (Ethan Hawke) diep bij zichzelf laat graven, waarop zijn leerling een donker gedicht improviseert. De waarheid is een deken die ons nooit helemaal zal bedekken, hoe erg je ook woelt en trekt. Op een bepaalde manier staat de gevoelige leerling symbool voor Williams’ privépersoon, net zoals de harde Will Hunting. Williams speelde steeds de verlossende leraar die hij zelf zo wanhopig zocht.

Het is treurig dat Williams het uiteindelijk verloor, maar ik ben dankbaar voor het gevecht dat hij geleverd heeft. Het enige wat ons rest, is te leven naar zijn filosofie. Zoals hij in Dead Poets Society zei: “Seize the day, boys. Because, believe it or not, each and every one of us in this room is one day going to stop breathing, turn cold and die.”