Interview: Rob Wijnberg

Rob Wijnberg (1982) heeft snel naam gemaakt in het Nederlandse intellectuele landschap. In nrc.next schrijft hij wekelijks een column en een filosofisch essay naar aanleiding van de actualiteit. Dit wordt gewaardeerd: hij wordt overstelpt door aanvragen voor lezingen, gastcolumns, debatdeelnames en televisieoptredens. Vrij Nederland noemde hem zelfs ‘de jonge god van de filosofie’. Rob Wijnberg is hot. Toch nam hij ruim de tijd om met hard//hoofd te praten over een aantal thema’s. Een goed gesprek over twintigers, keuzes, inhoud, Obama en romantiek.

Wijnberg over zijn generatie

‘Boeiuh’ was een verdediging van jouw generatie. Was dat nodig?

Als je een gemiddelde krant openslaat is het een en al ellende wat er over de jeugd wordt geschreven. Dat is op zich altijd zo geweest en sowieso benadrukt de krant vaak negatieve zaken omdat dat nu eenmaal nieuws is. Maar de suggestie was dat dit een generatie is die apathisch toekijkt terwijl de wereld voorbij trekt. ‘Ze hoeven niks, ze willen niks,’ je kent het riedeltje wel. Eerlijk gezegd was ik het daar ook wel mee eens. Ik zag dat om me heen en in mezelf. Maar wat ik interessant vond, was hoe dat kwam.
De jeugd is een unieke groep mensen. Wat jongeren gemeen hebben, is dat ze heel erg bepaald zijn door het nu, dat ze het meeste weerspiegelen hoe de samenleving nu is. Ze hebben nog geen geschiedenis, zijn nog niet gevormd. Mijn grootouders zijn bepaald door de oorlog, mijn ouders door de jaren ’60, maar wij zijn nog een product van deze tijd. Het ging mij er dus niet zozeer om de jeugd an sich te beschrijven, maar meer via de jeugd de tijdsgeest te vatten. Waarom zijn jongeren apathisch? Dat komt door de huidige tijdsgeest. Dan kom je uit op een verdediging. Want je zegt niet meer: ze zijn lui. Maar: dit is de maatschappij waarin ze opgroeien en die hen zo maakt.

Maar maakt dat die apathie ook minder negatief?

Het maakt het begrijpelijker. Daarna mag je er nog een waardeoordeel overheen strooien. Ik vind zelf dat het goede en slechte kanten heeft. De goede kant is dat het erop duidt dat we heel welvarend zijn, dat we vrijheid genieten die de mensheid hiervoor nog nooit gekend heeft en dat er dus kennelijk geen noodzaak is om te protesteren. Dat is een positieve stilte, want in bijvoorbeeld een oorlog kun je je die niet veroorloven. Democratische betrokkenheid neemt altijd af in rijke landen, en dat is begrijpelijk. Maar de keerzijde van die houding is dat je jezelf buitenspel zet en een vacuüm laat ontstaan. Zo nodig je anderen uit om te bepalen hoe de samenleving er voor jou uitziet. Plato zei: “De prijs die je betaalt voor politieke onbetrokkenheid is dat je geregeerd wordt door je minderen.” Je kunt niet klagen over de politiek, maar er zelf niets aan willen doen.

Er is altijd een groep onder de jongeren geweest die SBS6 kijkt, geen boeken leest en ’s avonds bier gaat drinken. Maar wat mij opvalt is dat je de apathie juist bij de groep waar je meer engagement verwacht – de studerende elite – zo veel voorkomt. Mensen –niet alleen jongeren – zijn tegenwoordig vrij cynisch over hun eigen vermogen om de wereld te veranderen. Dat is ook weer begrijpelijk, want je bent behoorlijk naïef als je nu op de Dam gaat staan met een bordje met ‘Ban de bom’ en denkt dat dat helpt. We zijn zo geïnformeerd over de wereld dat je weet: dat werkt niet. Maar we geven onszelf nu zo’n reëel klein plekje in de wereld, dat we geneigd zijn om onszelf helemaal weg te cijferen. Dat gaat mij dan weer te ver. Er zijn genoeg dingen om je druk over te maken, zeker voor jongeren: het klimaat, de overgang naar duurzame energie, privacy, de enorme invloed van machtsstructuren in de samenleving die vooruitgang blokkeren… Daar moet je jezelf op zijn minst over willen informeren. Dat is betrokkenheid: informatie inwinnen en daar dan een oordeel over vormen. Maar wat ik ook vaak bij mijn studie zag, is dat vooral die moeite al ontbreekt. Tentamens worden geleerd om een zesje te halen, de stof wordt vergeten en iedereen kan weer lekker de stad in… Dat is bizar.

Komt met grote vrijheid niet ook grote verantwoordelijkheid?

Nee, dat vind ik niet. De manier waarop wij leven kent geen precedent in de geschiedenis. Onze mate van vrijheid en het welvaartsniveau waren zelfs vijftig jaar geleden nog ondenkbaar. Wat dat betreft hebben we het getroffen. We mogen daar ook best trots op zijn, je hoef niet bij elke maaltijd aan Rwanda te denken. Zolang we ons wel beseffen hoe uniek en hoe kwetsbaar dit is. Maar vrijheid impliceert niet automatisch morele verantwoordelijkheid.

Vind je dat jongeren zelf hun plek moeten opeisen of is de oudere generatie te dominant?

In heel veel opzichten maakt de generatie van onze ouders de dienst uit. Ze zitten in de politiek, in alle commissies, bij de krant. Maar er zijn genoeg mogelijkheden voor jongeren om gehoord te worden, om mee te doen. Iedereen wil jongeren bereiken.

Maar worden we ook serieus genomen?

Nee, dat is een probleem. We zijn vaak een doelgroep. Er wordt naar ons toe gedacht: hoe kunnen we jongeren aanspreken? Dat gaat dan vanuit een verkeerd beeld van wat jongeren willen. Zo van: hoe maken we het Journaal hip? We doen er Youtube-filmpjes in. Jong is vaak simpel. Het moet vooral snel en vermakelijk zijn, anders haken ze af. Dat is een absolute misvatting. Maar toch vind ik ook dat jongeren zelf te weinig moeite doen om invloed te krijgen. Ze willen het wel, maar ze willen er niet te veel voor doen. Idols is wat dat betreft typisch: beroemd willen worden in drie weken, in plaats van er hard voor te werken. Dat is op zich weer prototypisch voor onze samenleving: minder moeite doen voor meer resultaat.

De oudere generatie lijkt wel een alleenrecht op inhoud te hebben.

Dat vind ik een algemene trend, niet iets van generaties. Het geldt voor het gehele publiek, maar helemáál voor jongeren. Het is al snel: doe maar niet te moeilijk. Dat vind ik onbegrijpelijk. Mijn hele bestaan is op dit moment gewijd aan het tegengaan van die trend. En met succes, want ik merk dat heel veel jonge mensen het waarderen als ze uitgedaagd worden, in plaats van weggezet met een oneliner.

Denk je dat het goed zou zijn als problemen als de kredietcrisis jongeren op een gegeven moment meer gaan raken?

Het gaat mij veel te ver om te zeggen dat dat goed zou zijn. Ja, dan krijg je opstand en betrokkenheid. Maar ik zou nooit voor achteruitgang pleiten. Dat zou absurd zijn. Ik denk zelf ook wel eens: als ik ongelukkiger was, zou ik echt een goede roman kunnen schrijven. Maar ik ga het natuurlijk niet opeens uitmaken met mijn vriendin. Het is wel zo dat ik het de moeite waard vind om te midden van al die overvloed op zijn minst een interesse te kweken. Daar begint het allemaal mee. De beste leraar op school heeft je niet verteld dat zijn vak briljant is en dat je het moet gaan studeren, maar op zo’n bevlogen manier lesgegeven dat je dacht: hier wil ik meer over weten. Vervolgens ga je op onderzoek uit. Er is heel veel behoefte aan dat soort inspiratie.

Wijnberg over keuzes

 

Hard//hoofd probeert duidelijke keuzes te maken voor haar lezers. Is dat niet een bepaalde vorm van achteruitgang?

Kijk, dit zegt iets over mensen van onze leeftijd, dat je dat zo stelt. Want kiezen is geen beperking. Vooral veel jonge vrouwen denken daar zo over, kijk maar.
(Tegen barmeisje): ‘Heb jij moeite met kiezen?’
Zij: ‘Ja, hoezo?’
RW: ‘Waarom dan?’
Zij: ‘Omdat alles even belangrijk en goed lijkt.’
RW: ‘Dank je wel.’
Zie je? Mensen denken vaak: als ik iets kies, laat ik de rest liggen. Maar het biedt juist de mogelijkheid om meer uit één ding te halen. Als je niets kiest, heb je van alles wat, maar van niets echt iets. Kiezen is een verrijking! Als je oneindig veel keuzes hebt, ben je niet vrij. Dan zie je het verschil niet meer en maakt het niet uit wat je kiest – precies zoals zij net zegt. Als je beperkingen stelt, neem je juist je vrijheid, hoe paradoxaal dat ook klinkt.

Jij pleit voor meer twijfel. Maar juist met zo’n overvloed is de twijfelende mens het haasje.

Twijfelen is voor mij een overkoepelende houding. Er is geen beste keuze, geen opvatting is juist of onjuist. Dat is een reden om beide kanten altijd in ogenschouw te houden. Maar dat is geen reden om niet te kiezen. Twijfel is een vorm van bescheidenheid. Je neemt een houding aan, in de wetenschap dat die onvolledig en toevallig is. Juist omdat je je bewust bent van de veelzijdigheid van de wereld, hoef je je keuzes ook niet te maken op een manier die definitief is. Dát maakt dat mensen bang zijn om te kiezen. Ze denken dat ze ergens aan vast komen te zitten. Ze denken dat ze één kans hebben en dan de juiste keuze moeten maken. Maar ik zeg: het geeft juist moed om te weten dat er geen foute keuze bestaat.

Dat neemt niet weg dat het gemakkelijker is om een ‘houding van zekerheid’ aan te nemen.

Ja, dat zie je ook aan politici die recht door zee willen zijn. Daar spreekt daadkracht uit. Maar het maakt je ook zwakker. Kijk maar naar mensen die orthodox geloven of op andere wijze overtuigd zijn van hun levenswijze. Dat zijn altijd de mensen die het snelst gekwetst, beledigd of bang zijn. Ze kunnen niet tegen kritiek of tegenstand. Het zijn altijd radicale gelovigen die moord en brand schreeuwen om een cartoon. Niet wetenschappers, die geleerd hebben dat geen waarheid absoluut is en altijd op zoek zijn naar meer kennis. De mensen met ‘zwakke’ wereldbeelden zijn veel beter beschermd tegen de veelzijdigheid van de werkelijkheid. Ze zijn in zekere zin autonomer. Je zou kunnen zeggen dat ze dingen minder zeker weten en daardoor zwakker zijn. Maar doordat ze minder hechten aan hun opvattingen, zijn ze vrijer. Kant zei: autonomie is het vermogen om te handelen naar universele principes. Dat idee is voor mij een fundamentele misvatting over autonomie en identiteit. Voor mij zit dat juist in het kunnen handelen zonder universele principes. Rorty zei: mensen hebben geen zekerheid nodig om te handelen, maar moed.


Foto: Julie Hrudova

Wijnberg over Wijnberg

Hoe houd jij zelf het overzicht als columnist?

Er is ontzettend veel wat op je af komt. Ik lees en zie alles. Maar er blijft altijd een vraag liggen die vooraf gaat aan een lopende discussie. Daar begint mijn verwondering en dan ga ik proberen uit te vinden wat daar eigenlijk achter zit. Ik probeer bij de oerbron te komen. Soms weet ik meteen wat ik daarbij moet zoeken, maar soms zoek ik het onderwerp ook gewoon in de encyclopedie op. Het vergt in elk geval veel discipline en ik zit vaak in de bibliotheek.

Je hebt vier boeken geschreven en je bent nog steeds pas zevenentwintig. Waar komt die haast vandaan?

Dat weet ik niet zo goed. Ik heb dat wel altijd zo gevoeld, van jongs af aan wilde ik al met de volwassenen meedoen. Op mijn zesde wilde ik al mijn rijbewijs halen, op mijn vijftiende wilde ik al een bedrijfje oprichten. Niet dat ik per se snel oud was, maar dat wereldje fascineerde me gewoon. Ik liet ook altijd de deur van mijn slaapkamer openstaan om de gesprekken uit de woonkamer te kunnen horen. Ik had het gevoel dat ik van alles miste als ik naar bed ging, dat het dan echt begon voor de volwassenen.
Ik ben verder niet heel ijdel. Maar ik wil wel herinnerd worden. Als je de geschiedenis van de mensheid bekijkt, dan herinneren we ons maar een fractie van al die mensen die geboren zijn. Ik wil graag bij de fractie horen, dat voel ik heel sterk.

Was je op de middelbare school de nerd of de quarterback?

Ha, allebei niet, denk ik. Ik had wel een grote bek. Dat komt omdat ik altijd de kleinste was, dan gaat je mond toch groeien om dat te compenseren.

Je hebt altijd getwijfeld. Je bent begonnen met Bedrijfskunde, maar afgestudeerd in Filosofie. Als schrijver startte je je carrière bij de Telegraaf, terwijl je nu voor NRC schrijft.

Ik ben nieuwsgierig naar meerdere kanten van het spectrum. Ik zat op een enorm elitair gymnasium, maar in de pauze ging ik met de conciërge zitten praten. Dat vond ik de meest interessante persoon van die school. Bij de Telegraaf mocht ik op mijn achttiende een column gaan schrijven, een geweldige kans. Het is ook geen krant die ik lees. De Telegraaf kent een heel andere manier van denken dan het NRC, maar ik ben toch blij dat ik daar gewerkt heb en die mensen heb leren kennen. Net zoals ik uit een heel intellectueel gezin kom, maar het nog steeds het leukste vindt om op zondag met mijn vader naar FC Groningen te gaan. Ik wil me niet beperken tot wat mensen van me verwachten. Ik vind het ook moeilijk om mezelf vast te leggen. Ik word nooit fan van iets op Facebook.

In ‘Dubio’ schrijf je dat je na het lezen van Nietzsche een identiteitscrisis kreeg omdat je je besefte dat de waarheid niet bestaat. Ben je daar overheen?

Ik heb de waarde van leven zonder waarheden ingezien. In eerste instantie voelt het alsof iets van je wordt afgepakt. Alles is triviaal en wat je koesterde – je ideeën, je waarden, je opvattingen – valt weg. Totdat je ontdekt dat je er juist een nieuwe vrijheid bij krijgt. Je wint aan inlevingsvermogen, autonomie en aanpassingsvermogen. Je moet de toevalligheid omarmen en proberen om dingen – ondanks dat je het niet zeker weet – toch met overtuiging te doen. Het is namelijk ook weer slap om altijd maar te eindigen met ‘ik weet het ook allemaal niet’. Twijfel pleit je niet vrij, het is juist een opdracht om op onderzoek uit te gaan.

Wijnberg over het nu

Vind je dat filosofie maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft?

Ik vind niet dat filosofie een taak of een doel heeft. De filosofie moet een domein blijven waar niets vaststaat. Het moet vragen voor de maatschappij oproepen. In die zin staan ze wel in dialoog met elkaar, maar de een staat niet in dienst van de ander. Ik had laatst een discussie met Susanne Neiman hierover. Zij bedrijft haar filosofie als een soort politiek. Ik ben het vaak wel met haar eens, maar dat is toch niet hoe ik filosofie bedrijf. Ik schreef bijvoorbeeld over de pedopartij en de geschiedenis van hoe er tegen kinderen aangekeken wordt. Ik schrijf ook vaak over terrorisme: waar komt dat vandaan? Als filosoof heb ik de neiging om begrip te kweken voor zulke bewegingen, zonder het klakkeloos te verdedigen. Ik wil dat mensen hun weerzin even loslaten om zich in de ander te verplaatsen. Dat biedt filosofie mij. Als het allemaal in dienst zou staan van de moraal, dan zou dat veel beperkter zijn.

Maar toch klinkt dat redelijk idealistisch.

Stop het maar weer in een hokje! Nee, ik heb zeker goede bedoelingen. Ik lever op deze manier een zinnige, positieve bijdrage, met wat ik dan toevallig kan. Het moet wel voor anderen iets betekenen. Maar ik koester echt niet de hoop dat de wereld over zestig jaar toleranter is geworden, want dat gaat niet gebeuren.

Een soort cynisch idealisme?

Ja! Ken je de comedian Bill Hicks? Dat vind ik een held. Hij hekelde de wereld vanuit een soort idealisme. Hij vond mensen belachelijk, omdat hij het goed met ze voor had. Maakte een keiharde grap en sprak dan opeens met heel veel warmte. Die tegenstelling voel ik zelf ook sterk.

Met de kredietcrisis bleek de invloed van het economische systeem op de samenleving. Komt het korte-termijn-denken hier ook uit voort?

Ik weet niet of een economisch systeem voortkomt uit een mentaliteit of andersom. Wel denk ik dat mensen binnen een systeem zich steeds meer naar het karakter daarvan gaan gedragen. Het kapitalisme is lastig te beoordelen. Ik heb ooit een stuk geschreven over de privatisering van ambulances. Ik schreef toen dat de markt wel dwingt om dingen goed te doen, maar niet dwingt tot de goede dingen. Doordat er concurrentie is, wordt je gedwongen om steeds efficiënter te zijn en zo ontstaat er vooruitgang en ambitie. Daar hebben we ontzettend veel aan te danken. Ik ben ook zeker geen antikapitalist, omdat ik van dichtbij het alternatief heb gezien. Mijn moeder komt uit Slowakije en geloof me: het communisme is een ramp. Het ondermijnt de mens in zijn ambities. Hiërarchie en ongelijkheid hebben hun waarde. Maar aan de andere kant kan het kapitalisme blind voor de moraal zijn. De ambulance wordt misschien goedkoper omdat hij niet meer naar een vergelegen dorp rijdt, waar dan iemand dood gaat. Het gaat om winstmaximalisatie. Dat levert goede resultaten op, maar niet per se de beste morele eindresultaten.

Hoe zit dat in de journalistiek?

Daar is dat ook een probleem. Met de steeds verder gaande commercialisering van kranten is een rare situatie ontstaan, want de winst van goede journalistiek is niet in geld uit te drukken. Toch denk ik dat ook hier concurrentie dwingt tot verbetering. Het heeft twee kanten: de adverteerder maakt het niets uit of er een goed artikel naast de advertentie staat, die kijkt alleen maar naar de oplage. Maar die oplage gaat omhoog vanwege dat goede artikel. Je moet natuurlijk blijven oppassen dat je niet teveel naar de marktcijfers gaat kijken. Op de dag dat het kabinet viel, werden er 50% meer kranten verkocht. Moet je daarom maar elke dag op zoek naar sensatie? Dat vind ik niet. Daarom moet je bepaalde ethische standaarden hanteren, om je tegen de belangen van de aandeelhouders te wapenen.

Je hebt zelf geschreven over de schreeuwerigheid van de journalistiek, met GeenStijl als lichtend voorbeeld.

Ja, maar ik ben niet tegen GeenStijl. Er zijn mensen die zeggen dat die site de hele journalistiek onderuithaalt, maar dat is onzin. Ik vind het alleen zorgelijk dat veel mensen die toon gaan overnemen omdat het succes heeft. Dan krijg je dus de Jakhalzen, CQC, RTL Boulevard. Het is goed dat het er is, maar het moet niet de norm worden. Je hebt programmamakers en krantenbazen met moed nodig die zeggen: oké, dat is nu populair, maar wij gaan toch voor de inhoud, voor een genuanceerd wereldbeeld. En daar is nu echt ook veel behoefte aan.

Barack Obama gebruikte een mix van simplisme en inhoud. Is dat de politieke toekomst?

Wat mij raakte aan Obama was dat hij niet alleen dat levensverhaal, die slogans en die speeches had, maar daarachter een duidelijke oprechtheid bezat. Hij toonde zijn overwegingen en dat hij over dingen had nagedacht. Het is te simpel als je zegt: een positieve Wilders. Maar een afgewogen, redelijke politicus die geleerd heeft van Wilders, dat is geweldig. Veel politici in Nederland zijn bang om met grote woorden te spreken. Obama snapt dat je bescheidenheid ook moet verkopen, voordat je er iets mee wint. Ik vond het mooi om te zien dat mensen zelfs in Amsterdam meeleefden met zijn verkiezing. Dan zie je toch die behoefte aan inspiratie.

Wijnberg over romantiek

Hoe combineer jij zelf je rationele blik op de wereld met je meer romantische inborst?

Je moet ze elkaar niet laten uitsluiten. Als je naar de maan wilt, heb je meer aan Newton dan aan Baudelaire. Maar als je wilt uitleggen hoeveel je van iemand houdt, kun je helemaal niks met Newton en kun je beter Baudelaire erbij pakken. Ik geloof niet dat er één manier is om naar de wereld te kijken. Er zijn heel veel wereldbeelden voorhanden en in verschillende situaties gebruik ik verschillende visies.

Maar is er nu behoefte aan romantiek?

Nee, niet per se. Er is altijd een algemene behoefte om je individualiteit te ontstijgen. Sommigen doen dat door in God te geloven, anderen doen dat door in de liefde te geloven, weer anderen door zich te verliezen in een computerspelletje. Iedereen heeft een droom nodig die hen uit het toevallige trekt. Maar voor veel mensen is hun eigen leven tegenwoordig al absurd geweldig genoeg. Rorty zei al dat vroegere filosofen zo erg bezig waren met het hogere, omdat het aardse veel te ellendig was. In de twintigste eeuw werd de wereld opeens zo veel welvarender, dat mensen zich op het nu durfden te richten. Toch zag je met Obama dat mensen nog steeds de behoefte voelen om uit dat toevallige getild te worden door deel uit te maken van een historisch moment.

Ben jij een optimist?

Het heeft geen zin om je af te vragen of het vooruit of achteruit gaat. Dat weet je niet. Je kunt er wel voor kiezen om optimistisch te zijn. Net zoals met vertrouwen, daar hoef je ook geen redenen voor te hebben. Het is meer een houding. Als ik moet kiezen, dan ga ik voor optimisme en vertrouwen. Niet omdat het te rechtvaardigen is, maar omdat het te prefereren is. En dat is een subtiel verschil.

(Verschenen op hard//hoofd, 2010)

Interview: Daniël Arends

Daniël Arends (Jakarta, 1979) won in 2006 de jury- en publieksprijs van Camaretten. Sindsdien staat hij bekend als het grootste cabarettalent van Nederland. Naast zijn uitverkochte theatertours staat hij ook nog elke week als stand-up comedian op het podium van zijn thuishaven Toomler, waar zijn nietsontziende stijl misschien nog wel het best tot zijn recht komt. Een serieus gesprek met een manipulatief mannetje. “Ik wil dat mensen me mogen, maar wel op mijn eigen voorwaarden.”


Foto: Julie Hrudova

Comedy/Cabaret

Wat maakt iemand een goede stand-up comedian?

Een goede comedian maakt het zichzelf moeilijk. De lach moet voortkomen uit doodsangst. Het is het meest interessant om te kijken naar iemand die zichzelf zo in het nauw drijft, dat een grap de enige uitkomst is.

En een goede cabaretier?

Ik vind mezelf een goede comedian, maar als cabaretier moet ik nog veel leren. Je moet een avond tot een geheel maken, met een belofte beginnen die je in anderhalf uur inlost. Dat is een moeilijkere opdracht dan comedy. Dat duurt natuurlijk tien minuten, maar ook als het langer duurt hoeft de comedian geen beloftes in te lossen. Voor de rest denk ik dat alles wat comedy spannend maakt, net zo goed in het theater kan. Ik vind wat dat betreft niet dat ze zo ongelijkwaardig zijn als sommigen denken.

Wat heb je geleerd van stand-up comedy?

Ik heb geleerd naturel te zijn zonder dat je ziet daar ik mijn best voor doe. Ik zie ook wel eens mensen met een acteursopleiding in Toomler staan, die beginnen meteen op zo’n rare aangeleerde toon te praten, dat slaat nergens op. De nonchalance van comedy is voor mij belangrijk. Op een gegeven moment heb je al zoveel avonden gespeeld en valt op een bepaalde manier de uitdaging weg; het lukt je toch wel om met je grapjes de mensen te laten lachen. Dan ga ik met een lage concentratie het podium op en gewoon een beetje lopen kloten. Op de grond liggen, in een rare stem praten of gewoon een beetje met het publiek improviseren. Dan ontstaan er soms bijzondere dingen. Ik heb veel baat bij het gebied tussen hele hoge en hele lage concentratie.

Je bewondert Hans Teeuwen om zijn experimentele vorm. Maar hij zegt altijd dat je voor chaos ook structuur nodig hebt.

Ja, je moet weten waar je tegen aan schopt. Je hebt ook mensen die opkomen en beginnen te schreeuwen, dat je denkt: ‘Wat doe jij nou? We zeiden niks hoor.’ Ik eindig optredens wel eens door te zeggen: “Nou dames en heren, het was een fijne avond. Jullie waren leuk, de voorstelling ging goed. Ik ben blij dat er niets mis is gegaan.” En dan val ik om en zakt mijn broek van mijn reet en zeg ik: “Oh nee, net nu alles goed ging… Wat jammer dit, wat jammer.” Ik vind dat soort grappen heel belangrijk. Als ik met mijn regisseur werk, zegt hij op een gegeven moment: “Nou, we hebben er een mooi geheel van gemaakt.” En daar ben ik het dan mee eens, het is echt mooi geworden. Maar tegelijk denk ik: die structuur moeten we natuurlijk wel weer even kapot maken.

Mensen moeten zich niet te veel op hun gemak voelen?

Ik denk heus niet dat ik mensen kan veranderen. Mensen moeten zich anderhalf uur anders voelen dan normaal, daarna mogen ze weer doen wat ze willen. Maar je probeert ze dus wel even uit hun comfort zone te halen. Ik zit ook het liefst de hele dag thuis tennis te kijken. Als een vriend dan onverwachts langskomt en zegt: ‘Kom op, we gaan iets leuks doen,’ dan heb ik daar helemaal geen zin in. Maar uiteindelijk ga je mee en maak je mooie dingen mee. En daar gaat het toch om.

Daniël/Arends

Jou wordt regelmatig arrogantie verweten.

Ja, dat hoor ik vaak. Maar ik denk dat inmiddels de mensen van wie ik wil dat ze het zien, begrijpen dat het gewoon betekent dat mijn basistechniek goed zit. Je hoort heel vaak over een harde grap: dat is zo makkelijk. Terwijl het juist veel moeilijker is met zo’n onaardige grap alsnog een publiek aan je te binden. Het is makkelijker om gewoon gezellig te doen.

Minacht je het publiek wel eens?

Heel soms heb je echt geen zin; dat is wel minachting. Maar ik heb over het algemeen veel waardering voor de zaal, dat meen ik echt. Ik pak ze soms keihard aan, maar dat heb ik altijd met andere mensen gedaan in mijn leven. Zeker als ik ze niet ken. Het is typisch voor een geadopteerd kind: iets afwijzen voordat het jou afwijst. Natuurlijk wil ik dat mensen me uiteindelijk mogen. Maar wel op mijn eigen voorwaarden.

Zou je jezelf als manipulatief omschrijven?

Ja.

Speel je ook met mensen in het dagelijks leven?

Dat komt uit twee dingen voort. Ten eerste is het toch weer dat rammelen aan dingen, om te kijken of ze stuk gaan. Ik wil zo snel mogelijk weten wat ik aan mensen heb, dus maak ik het ze moeilijk. Ik geloof wel dat mensen in doodsangst of verwarring hun ware aard laten zien. Zo, denk ik dan, weten we dat ook weer.
Aan de andere kant vind ik het ook gewoon leuk om een beetje te kijken wat voor reactie je kunt krijgen als je iets vraagt of zegt wat mensen niet verwachten. Dan worden mensen weer dieren. Daar hou ik van, als beschaving tegen mensen gaat werken.

Hoe bedoel je dat?

Als iets zo snel gaat dat ze het niet met hun ratio kunnen bijhouden en ze terug moeten vallen op hun gevoel. Dan zie je dat die beschaving zo diepgeworteld zit in mensen, dat ze bijna niet meer weten wie ze zijn. Als ze dan als zichzelf moeten reageren, dan denken ze: hoe moest dat ook al weer? Dat vind ik leuk. Alles waar spanning omheen hangt, daar smul ik van. Soms ga je dat dan zelf beginnen, puur om te kijken wat er gebeurt. Dan zijn mensen echt fantastisch, ze reageren allemaal compleet anders. Ik los die spanning dan ook wel op, het is niet zo dat ik wil dat mensen zich kut voelen.

Je weet goed hoe je overkomt op andere mensen?

In zekere zin is dat een blinde vlek, je weet het nooit helemaal. Maar ik zeg vaak net op tijd: “Hoe gaat het nou met jou?” In verhouding met wat ik allemaal zeg, vinden onwaarschijnlijk weinig mensen mij een lul. Dat komt ook doordat ze toch zien dat ik het niet meen. Soms schuur ik even langs een gevoel van haat, maar ik zou het nooit omarmen. Ik kan een harde grap over Marokkanen maken, juist omdat ik zeker weet dat ik geen racist ben.

Grap/Inhoud

Als je steeds beter wordt in jezelf zijn op het podium, dan wordt het onderscheid tussen je theaterpersoonlijkheid en je ‘echte’ persoonlijkheid ook steeds vager.

Je hebt altijd het probleem dat bij succesvolle artiesten hun artistieke ontwikkeling hun persoonlijke ontwikkeling inhaalt. Die gaan podiumaandacht verwarren met echte liefde. Dan is het eind natuurlijk zoek, als je denkt dat je een beter mens bent omdat je volle zalen trekt.

Maar is het niet verleidelijk om, als je de vaardigheid hebt om een volle zaal stil te krijgen, dat vervolgens te gebruiken als je in een kroeg staat?

Bij mij is het dan toch andersom. Ik red me op het podium omdat ik manipulatief bén, dat is niet daar gegroeid. Ik weet goed hoe ik iemand moet neppen. Mijn vriendin kan ik bijvoorbeeld best goed voor de gek houden. Maar je moet wel begrijpen dat je alleen maar jezelf daar mee hebt. Het gaat uiteindelijk wel om oprecht contact. Je kunt een leuk meisje versieren met allerlei trucjes, maar als dan later blijkt dat je helemaal niet die gast bent, dan zit jij met de gebakken peren. En een SOA. Is trouwens ook echt een ontbijt van niks, gebakken peren.

Hoe ben je in Jakarta?

Daar werken dingen anders. In Indonesië is alles te koop. Je kunt daar in je eentje in een duur restaurant gaan zitten en dan weet iedereen dat je de moeite waard bent. Maar het is niet zo dat ik daar opeens veel rustiger en bescheidener ben.

Speel je daar ook spelletjes?

Je hebt altijd een bepaalde alertheid daarvoor. Ach, de mensen laten zich daar zo makkelijk fucken, dat het niet eens een uitdaging is. Iedereen is toch wel beleefd.
Het mooie aan daar zijn vind ik dat ik een keuze heb: wil ik in de massa opgaan of wil ik de koning van het land zijn? Je bent daar gewoon schatrijk. Ik kan op een gore straat in de uitlaatgassen sigaretten roken met straatjongens of ik kan in een vijfsterrenhotel een hoer bestellen. Die rekbaarheid vind ik heel prettig.

Word je niet eens moe van dat hele adoptieverhaal?

Ik hoop dat dit de laatste keer was dat ik het er in een show over gehad heb. Maar ja, je kiest er ook niet bewust voor om je bloot te geven, je wilt gewoon goede grappen maken. Theater maak je met verwerkte emoties. Je praat over dingen waar je zelf al klaar mee bent, het moet absoluut geen therapie worden. Janken doe je thuis maar.
Er is wel het misverstand ontstaan dat alleen politiek cabaret inhoud heeft. Als je niet 6000 keer ‘Balkenende’ roept, heb je opeens niets te vertellen. Terwijl een goed verhaal natuurlijk in heel veel dingen kan zitten. Als het goed is, komen er eerst allemaal goede grappen en spannende verhalen en ga je daarna pas nadenken over hoe je de illusie van een groter verhaal daarmee kan wekken. Niet andersom. Dat is theater maken. Niet de klotevraag ‘Waar gaat dit eigenlijk over’ tot in den treure stellen. Niet in de foetushouding op het podium gaan liggen.

De grappen zijn de basis?

Ik vind van wel. Het is gevaarlijk om te zeggen, omdat het dan lijkt alsof je op goedkoop effectbejag uit bent. Maar het is je belangrijkste gereedschap. Een echt goede grap is zo fantastisch, dat zegt soms meer dan je ooit over dat onderwerp zou kunnen zeggen. Ik zou het liefst alleen maar goede grappen vertellen in mijn programma’s. Sommigen slaan door naar de andere kant: je hebt nu heel veel van dat ‘ongesteldheidscabaret’. Dat gezeik. Diegene denkt: ik ga maar flink zeuren, dan heb ik tenminste wat te vertellen. Daar heb ik echt een hekel aan. Als je op het podium staat en je hebt echt meningen die je zelf heel belangrijk vindt, ga dan gewoon de politiek in. Dan heeft het misschien nog consequenties. Eens kijken of je dan nog steeds zo’n grote bek hebt.

Ben je bezig met iets als een doorbraak?

Ik doe extreem weinig publiciteit omdat ik het nog niet nodig vind. Ik hoef niet uitverkocht in alle grote zalen te staan. De kleinere zalen bevallen me nu prima. Mijn publiek groeit precies even snel als mijn artistieke kwaliteiten. Dat vind ik wel mooi. Diep vanbinnen weet ik dat ik de moeite waard ben op het podium, maar ik heb daar geen haast mee.

Is Nederland niet een beetje ‘cabaretmoe’?

Ik hoop het. Je hoort heel vaak dat de recessie grote gevolgen gaat hebben. Laat maar komen. Ik hoop dat het ervoor zorgt dat alleen de besten overblijven. En dan zal ik mijn stinkende best gaan doen om daar bij te horen.

(Verschenen op hard//hoofd, 2010)

Interview: Bret Easton Ellis

Bret Easton Ellis, schrijver van American Psycho, deed ons land aan. De media doken gretig op hem, maar Ellis leek een spel te spelen met zijn merknaam en imago. Een gesprek met een schrijver die zich graag verschuilt, maar altijd op een charmante manier.

In 1985 schreef de toen 21-jarige Bret Ellis een roman die eigenlijk een vrij letterlijke beschrijving van het leven van zijn vrienden in Los Angeles was. Het resultaat, Less Than Zero, sloeg in als een bom. Mensen spraken schande van de immorele jongeren die verkrachtend en drugs gebruikend door het leven trokken, maar voor zijn eigen generatie was Ellis een held. In een paar maanden tijd werd hij een icoon en de toegevoegde achternaam ‘Easton’ werd een vanzelfsprekendheid. Hij schreef nog drie boeken die knipoogden naar de uitwassen van de moderne tijd en er niet voor terugdeinsden om keihard te shockeren. Het meest sprekende voorbeeld was American Psycho, de roman over een moordende Wall Street-zakenman die Ellis definitief als een superster lanceerde.

Ellis worstelde echter met zijn rol van ‘stem van een generatie’ en de talloze critici die hem om meningen over onze tijd vroegen. In het begin probeerde hij hier nog in mee te gaan en schreef een aantal essays over zijn generatie, waar hij zich nu kapot voor schaamt. Dus begon hij aan een spel. Hij deed nog steeds veel interviews, maar hij verzon de antwoorden gewoon. Als weer een journalist hem vroeg naar de betekenis van American Psycho in relatie tot de consumptiemaatschappij, begon hij een semifilosofisch verhaal zonder eind dat de man tegenover hem nog gretig opschreef ook. Dit doet sterk denken aan de houding van Bob Dylan tijdens de beroemde persconferentie in San Francisco in 1965, toen de aanwezige pers de nieuwe superster in hun eigen termen probeerden te vatten en overal betekenis in zochten. Hevig rokend ontweek Dylan alle Grote Vragen met vage antwoorden. Toen hij hierop aangesproken werd, zei hij: “You know, we all have different ideas of the words we’re using. That’s why I really can’t take this too seriously… When I say the word ‘house’, we’re both gonna see a different house.”

Ook met mij wil Ellis wel spelen, zoals blijkt nadat we elkaar de hand hebben geschud en de brede man met zijn spottende ogen (jas nog aan, iPhone constant paraat) achterover zakt.

Zo. Hoe lang heb je al interviews gedaan?
“Pfff. Ik weet niet, hoe laat is het?”
Twee uur.
“Oh in dat geval doe ik dit al VIJFENTWINTIG JAAR!”
Maar dit is een fijn hotel.
“Ja toch? Iedereen klaagt er altijd over dat Nederlanders zo onbeleefd zijn, maar hier is iedereen heel aardig.”
Ik denk dat dat een Amsterdams ding is. We zijn heel arrogant en haten toeristen die op het fietspad lopen.
“Dat kan ik me voorstellen, dat is ook heel irritant.”
Ik heb ooit bijna een Amerikaanse toerist gedood.
[stilte]
“Echt?”
Met mijn fiets! Figuurlijk gesproken! Ik reed tegen haar aan.
“Hé, als je iets wilt opbiechten, dan kan dat…”

Net als Dylan neemt Ellis de media niet serieus, maar doet hij dit met een onweerstaanbare charme. Op een gegeven moment zegt hij: “Kijk, dit is een zakentransactie. Ik wil geld krijgen om van te kunnen leven, mijn uitgever wil mijn boek verkopen in Nederland en jij jaagt ook weet ik veel wat voor carrière na. Dus zitten we hier. Maar het heeft niets met het schrijven zelf te maken.” Even later maakt hij me juist tot bondgenoot: “Kijk nou, ik zit al de hele dag in dit kamertje! Het voelt als een gevangenis. Ik zou je een briefje met ‘help me’ moeten meegeven als je zo weggaat. Zeg het niet tegen mijn PR-dame, alsjeblieft, maar vertel de wereld mijn verhaal!” Voortdurend verandert hij van rol, afhankelijk van zijn bui, de persoon tegenover hem of de loop van het gesprek. Zijn seksuele geaardheid is een goed voorbeeld: de ene keer verklaart hij volledig hetero te zijn, dan is hij weer homo en soms hij toch gewoon bi. Dit maakt hem totaal onbetrouwbaar, maar niet minder interessant.

Geniet je stiekem van de gedachte dat je mensen in verwarring brengt?
“Ik heb helemaal niet de intentie om mensen te verwarren. Ik schrijf wat ik wil schrijven en heb daar helemaal geen bedoeling mee. Ik denk nooit aan de lezer als ik schrijf. Ik bén de lezer, ik schrijf een boek dat ik zou willen lezen. Het gaat erom dat ik in een bepaalde periode pijn voel en dat naar een boek wil vertalen. Natuurlijk begrijp ik de vraag wel, want ik zie ook wel dat het mensen verwart. Maar dat is niet mijn intentie en ik voel er dus ook geen voorpret over.”
Maar waar denk je dat die behoefte vandaan komt om altijd aan jou te vragen wat er waar is aan je boeken?
“Dat is de mens eigen. Maar het wordt nog eens versterkt door het feit dat mijn boeken altijd extreem onbetrouwbare vertellers hebben. Aan het eind van het boek voel je een frustratie omdat je het gevoel hebt dat ze je niet alles verteld hebben. Die frustratie botvieren mensen dan op mij, haha. Dat is misschien wel het verwarrende element aan mijn boeken. Maar romans zijn niet logisch, dat is nooit de bedoeling geweest.”
Best vermakelijk, al die frustratie.
“Ik sta ergens in de coulissen te gniffelen. Het is heel interessant om patronen in de vragen van journalisten over de hele wereld te ontdekken. In Australië willen ze heel andere dingen weten dan in Zwitserland. Het hoort erbij. Ik ben geen fulltime schrijver, ik kom eens in de vijf jaar eens uit mijn grot. En ik ben oprecht geïnteresseerd in die meningen, maar wel op een afstandelijke manier. Kijk, voor lezers is het boek zo [gebaart een boekvorm], terwijl het voor mij zo is [maakt veel grotere gebaren].”


Foto: Julie Hrudova

Met de roman Lunar Park (2005) voegde Ellis nog een dimensie aan dit spel toe. Deze Stephen King-achtige thriller over de schrijver Bret Easton Ellis die opgejaagd wordt door spoken uit zijn verleden (zijn vader en Patrick Bateman, de hoofdpersoon uit American Psycho) en daardoor zijn leven en carriere moet overdenken, gaf een soort Droste-effect: Ellis die over Ellis schrijft die over Ellis nadenkt. Met zijn laatste boek zet Ellis dit door. Imperial Bedrooms is een ‘vervolg’ op Less Than Zero, met dezelfde personages die 25 jaar later op nieuwe manieren naar de klote gaan. Weer verwijst hij speels naar zijn eigen oeuvre, waar hij in het dagelijks leven zo mee worstelde.

Voel je een afstand tot je werk?
“Ik zou die boeken nu nooit meer kunnen schrijven, alleen in die specifieke periodes. Het ging erom dat ik toen iets voelde en ging schrijven om er mee om te gaan. Ik kijk dan ook niet graag terug. Het zijn nu woorden op papier voor me, ik heb ze al zo vaak gelezen in de voorbereiding dat ze nu niets meer betekenen. Ik haat voorlezingen dan ook echt intens. Ik práát liever met mijn lezers.”
Dan is het ironisch dat juist het teruglezen van je werk tot ‘Imperial Bedrooms’ heeft geleid.
“Haha, daar heb je me! Voor Lunar Park moest ik mijn oude boeken teruglezen, om onderzoek naar het karakter van de schrijver Bret Easton Ellis te doen. Dat ging wel, het viel me mee. Vanaf dat moment zat Less Than Zero weer in mijn hoofd. Ik dacht: wat zou Clay nu aan het doen zijn? Daar begon het mee, het werd opeens belangrijk voor me om daar achter te komen.”

In recente interviews maakt Ellis een relaxte indruk en verklaart hij dat ‘het project Bret Easton Ellis afgerond is’. Hij antwoordt steeds vaker: “Sorry, dat weet ik niet” op de vergezochte vragen. Maar tijdens een lezing in de Singelkerk in Amsterdam, een dag na mijn interview met hem, blijkt dat hij het rollenspel nog niet verleerd is als de literaire NRC-criticus Pieter Steinz allerlei pretentieuze vragen op hem afvuurt. Hij negeert de interviewer zo nu en dan volledig, terwijl hij grapjes tegen zijn publiek maakt. Als Steinz literaire vergelijkingen probeert te maken, haalt Ellis alleen zijn schouders op of begint over The Hills en Jersey Shore, wat hij ‘briljante televisie’ vindt. Het jongere deel van de zaal smult van zijn frivole provocaties, Steinz zit er steeds ongemakkelijker bij. Ellis, toch al 46, lijkt stilletjes te genieten van deze anarchie in het Huis van de Heer.

Het is nu 25 jaar geleden dat je debuteerde. Schrik je van dat getal?
“Ach, leeftijd. Het is wat het is. Net als het weer. Je moet er maar gewoon van houden, want je hebt er toch geen controle over. Ik klaag eigenlijk nooit meer ergens over, niemand heeft daar behoefte aan. Ik ben echt veel optimistischer geworden. Natuurlijk is het leven verschrikkelijk, iedereen heeft zoveel pijn en er gaat zoveel naar de klote. Dat erken ik. Maar ik ga er niet meer over zeuren, dat maakt het alleen maar erger.”
Voor Imperial Bedrooms werd een heuse filmtrailer gemaakt. Vind je dat de boekenwereld meer uit de marketing van populaire cultuur over moet nemen?
[veert op] “Hoe cool was die trailer? Daar ben ik echt heel blij mee. En waarom niet? De uitgeverswereld kent echt allerlei belachelijke regels. Mensen klagen over iPads. Waarom? Ze zijn te gek! Veranderingen zijn goed. Wie zijn zij om te bepalen wat een boek is en hoe je het moet marketen? Moet het altijd op stoffige pagina’s staan? Ik ben in Amerika nooit serieus genomen door de critici en de rest van de poortbewakers, omdat ik naar nachtclubs ging en coke snoof. Ik heb me nooit aangepast om een schrijver te kunnen zijn. Ik vond het gewoon leuk om te doen, dus fuck de hele entourage die eromheen hangt.”

Ellis verliest zijn streken niet zo snel en past zijn rol razendsnel aan de situatie aan. Tegenover de gerenommeerde krant The Guardian zette hij wél allerlei maatschappijtheorieën uiteen en zei hij dat de huidige generatie twintigers ‘een cultus van narcisme creëert’. Als ik hem echter naar zijn mening hierover vraag, lacht hij ongemakkelijk en zegt: “Dit is zo’n strikvraag! Fuck, ok… Ik vind ze interessant. Ach, leeftijden, generaties… Dat is toch eigenlijk ook onzin? Ik ben nog steeds dezelfde chagrijnige oude man die ik was toen ik 20 was. Mensen zijn mensen. Dat is alles.”

Ellis claimt nu dat dit zijn laatste roman is, dat hij klaar is met schrijven. Is dit echt zo, of weer een typische truc? Hier lijkt geen antwoord op te bestaan, omdat hij een improvisator is en de media smullen van uitspraken als ‘ik heb geen roman meer in me’. Is dit de echte Ellis of staat hij hierna weer in de coulissen te gniffelen?

Kun je mijn boek signeren?
“Natuurlijk. Hoe spel je ‘Rutger’? Als ‘Rutger Hauer’?”
Ja. Maar ik ben niet naar hem vernoemd.
“Naar wie dan wel?”
Naar niemand. Ik weet alleen dat het ‘dappere strijder met de speer’ betekent.
[kijkt op] “En, ben je een dappere strijder met de speer?”
Ik weet niet, in sommige opzichten wel.
[kijkt interviewer lang bedachtzaam aan, glimlacht dan] “Je hebt veel zelfvertrouwen. Dat bevalt me wel.”

(Verschenen op hard//hoofd, 2010)

Interview: Gummbah

Gertjan van Leeuwen (Nieuwaal 1967) tekent onder het pseudoniem ‘Gummbah’ sinds jaar en dag absurdistische cartoons voor onder andere De Volkskrant. Ooit trad hij met Hans Teeuwen en Pieter Bouwman op onder de naam ‘Poelmo, slaaf van het Zuiden – voor meisjes die van paarden houden’. Nu heeft hij een verzameling van ‘Net niet verschenen boeken’ uitgebracht, het resultaat van tien jaar voorleesoptredens. Het boek werd een onverwacht succes na een optreden bij de Wereld Draait Door en is aan de tweede druk toe. Een gesprek met een wereldvreemde, zorgvuldig sprekende Brabander: “Soms denk ik toch: zou ik gewoon gek zijn?”

Tekenen

Is tekenen een neurose?
Als ik het een dag niet gedaan heb, dan krijg ik daar wel last van. Dan moet ik even iets tekenen. Vroeger tekende ik ook alles vol. Op school mochten we niet tekenen tijdens de les, maar dan zat ik met mijn voet te schetsen in de lucht. Dat heb ik nog, dan zie ik iets en dan zit ik het met mijn voet na te tekenen. [doet het voor, droomt weg] Kijk, nu ben ik meteen verloren in een tekening. Ik heb net die drankfles daar nagetekend… Het is niet per se dat ik dingen nateken, dat is niet echt mijn stijl, maar ik zie wel veel dingen die me inspireren tot een tekening over iets anders. Als ik een dikke vrouw zie, krijg ik wel zin om iets met een dikke vrouw te tekenen. Met mooie vrouwen heb ik dat nooit trouwens. Gelukkig woon ik in Tilburg, want daar heb je er niet zoveel.

Je bent het typische voorbeeld van een vreemde eend in de bijt.
Ik zit niet in een bijt, dat wil ik ook nooit. Op school moest dat wel en toen was ik inderdaad wel de rare jongen. Achter mijn rug hoorde ik ze dan fluisteren: “Die is knettergek.” Terwijl ik dat zelf toch niet zo ervoer. Nu ontwijk ik bewust dat soort contexten. Ik woon samen met mijn vriendin, werk thuis en dat is dat. Ik ben ook niet echt een familie-man [lacht].

Zou je zonder succes nog tekenen?
Nee, dat denk ik niet. Op school begin je te ontdekken dat je iets kan, mensen vinden het mooi wat je maakt en je kunt mensen aan het lachen maken. Maar ik heb nooit echt geloofd dat dit mijn beroep zou worden. Ik wist alleen dat ik nooit op een kantoor wilde werken. Dat zou ik nooit kunnen. Daar ben ik ook best een tijdje van in de war geweest, ik zag alleen maar doffe ellende in het vooruitzicht. Ik moest iets verzinnen om daar aan te ontsnappen. Tekenen was een vage optie, maar ik vond mezelf echt te slecht, dus lag ik alleen maar in bed. Ik keek enorm op tegen Franquin, de tekenaar van Guust Flater.

Met Hein de Kort en Kamagurka zag ik pas dat mooi tekenen helemaal niet hoefde, dat schoonheid een grap juist vaak in de weg zit. Nadat ik hoorde dat zij door de Fransman Reiser geïnspireerd waren, kocht ik een boekje van hem. Eerst dacht ik: jezus, die man kan helemaal niet tekenen. Maar toen ik de eerste strip last, moest ik echt schaterlachen. Ik heb dat boekje huilend van het lachen uitgelezen. Dat was een openbaring voor mij: je kunt dus met een tekening iemand keihard laten lachen. Ik ben toen juist lelijker gaan tekenen. Ook daarna werd ik nog enorm vaak afgewezen, maar toen ik 28 was kreeg ik dan mijn eerste betaling voor een tekening.

Hoe daag je jezelf nu nog uit?
Ik probeer niet te comfortabel te worden in mijn positie. Daarom heb ik ooit de Bond Tegen Humor opgericht, omdat ik dacht: waar kun je nou echt geen grap over maken? Over humor dus. Ik denk dat ik in Net niet verschenen boeken minimaal 50 nieuwe vormen van humor bedacht heb. [pakt boek] Kijk, hier heb je een kop met ‘Denktip’ en dan een citaat van Tolstoy en daaronder een plaatje van een man met zijn ogen dicht. Het lijkt daardoor alsof die man over het citaat nadenkt, maar wat is nou de functie van zo’n plaatje? [lacht in zichzelf] Toen ik deze combinatie maakte, voelde ik wel een soort goddelijke genade, hetzelfde wat Michael Jackson gevoeld moet hebben toen hij Thriller schreef.

Je wilt geen pleaser worden.
Ik betrap mezelf er wel eens op dat ik toch mijn oren laat hangen naar het publiek. Ik zit nu op Twitter om reclame te maken en dan toets ik soms ‘Gummbah’ in om te kijken wat mensen over de tekeningen schrijven. Als mensen dan enthousiast zijn over een tekening die ik zelf niet zo vond, dan sleep ik hem vaak toch naar het mapje met de selectie voor de bundel. Het moeilijke aan humor is de zwaartekracht. Je idee moet toch naar het hoofd van de lezer. Als dat niet lukt, ben ik gewoon een raar mannetje op een zolderkamer. In het begin moest niemand iets van dit boek hebben. Er werden er 200 besteld door boekhandels in het hele land. Pas na De Wereld Draait Door – waar ik ook maar zat omdat er een uitvaller was – ging het lopen. Nu is er een tweede druk. Ik dacht toen ik het aan maken was: als het maar af is, ben ik al blij. Maar natuurlijk is 2000 boeken verkopen veel leuker dan 200. Hugo Claus verachtte zichzelf daar echt om, dat hij toch blij werd van een compliment of geraakt door kritiek. Hij vond dat je daar soeverein boven zou moeten staan. Maar uiteindelijk lukt niemand dat. Als je iets gemaakt hebt dat je zelf echt goed vindt en het blijft doodstil, dan ga je toch aan jezelf twijfelen. Dan denk je toch: zou ik gewoon gek zijn?

Absurdisme

Je ietwat vreemde uitstraling brengt je dus wel succes.
Mensen moeten om mij lachen, ook als ik niet iets grappigs zeg. Ik word al mijn hele leven lang bij voorbaat niet serieus genomen, terwijl er toch maar weinig mensen zijn die zo serieus zijn als ik. Het komt denk ik doordat ik de neiging heb om oud-Hollandse woorden te gebruiken en altijd heel duidelijk te articuleren. Dat heb ik van mijn vader. Een paar jaar geleden – hij is inmiddels overleden – vroeg ik wat hij ging stemmen. Toen zei hij: VVD. Hij legde uit dat hij dat al zijn hele leven deed, dus het nu uit gewoonte weer ging doen. Hij stond op om naar de WC te gaan. Toen hij terugkwam zei hij: “Ja, ik ben een VVD-er pur sang.” Daar moesten we toen zo om lachen. Daar had hij dan echt op de WC over nagedacht, hoe hij dat ging zeggen.
Ik trek het ook wel aan. Van de week ging ik biologische groenten kopen, toen zo’n mevrouw me van TV herkende en een verhaal tegen me begon. Op een gegeven had ze het over “Een vakantie van het nu” en toen zei ik dat ik dat een mooie boektitel vond, om het gesprek af te ronden. Maar toen werd ze juist enthousiaster en ging ze nog meer onbegrijpelijke dingen zeggen. Op een gegeven moment vroeg ze aan mij: “Snap je het?” En ik zei naar waarheid: “Nee.” Nou, hilariteit alom. Er had zich inmiddels ook een menigte om ons heen verzameld. Mensen lachen dus om hoe ik heel oprecht ‘nee’ zeg, dat blijft een vreemde gewaarwording.

Als jij echt absurde dingen meemaakt, geloven mensen dat dan nog wel?
Mensen geloven mij heel vaak niet, dat klopt.

Maak je vaak absurde dingen mee?
Er overkomen mij constant hele kleine absurdistische dingen. Dat zit dan vaak in de taal. Er worden voortdurend de meest krankzinnige dingen gezegd. Ik deed gisteren om drie uur ’s middags boodschappen. Toen ik afrekende zei de caissière: “Fijne dag alvast.” Daar snap ik echt helemaal niets van.

Taal is dus de basis van jouw humor?
Als je taal goed bekijkt, is het altijd absurd. De werkelijkheid is al een verzinsel en dan ga je daar met taal, een instrument dat als los zand aan elkaar hangt, duiding aan proberen te geven. Ja, dat levert voortdurend absurdisme op. Die taal en die werkelijkheid zouden hetzelfde moeten zijn, maar ze missen elkaar voortdurend. Soms lijkt iets wel te kloppen, maar als je daar dan goed over nadenkt, dan slaat het alsnog nergens op. Het is de taak van de absurdist om die ontbrekende verbinding bloot te leggen. Om te laten zien dat alles absurd is. Het is eigenlijk absurder om geen absurdist te zijn.

Onzin heeft wel altijd zin nodig.
Klopt, absurdisme is grappig in contrast met wat ‘normaal’ is. Mijn tekeningen werken ook het beste in de krant, in de omgeving van de werkelijkheid. Maar de beste absurdistische ervaring is misschien wel wanneer allerlei krankzinnige dingen achter elkaar gepresenteerd worden, tot je niet meer weet wat normaal was en wat absurd. Met mijn bundels zit je na een tijdje te lachen om hele erge dingen en haal je je schouders op over hele vreemde zaken. Daarom was Twin Peaks ook zo goed, je werd langzaam die gekte in geleid en je slikte alles. Er was maar een ding wat me ergerde, nog steeds eigenlijk, en dat was de vrouw met dat blok hout in haar armen. Dat trok ik niet.

Absurdisme is een heel specifiek soort humor, maar toch enorm populair.
Daar verbaas ik me ook vaak over. Het is ook niet zo dat ik Youp van ’t Hek-achtige oplages heb, maar er is een behoorlijke markt voor. Het maakt me wel gelukkig als ik zie hoeveel gevolg Hans Teeuwen en Jiskefet hebben. Aan de andere kant zijn de Lullo’s het bekendste deel van Jiskefet, terwijl dat bij lange na niet hun beste materiaal was. Mensen zeggen tegen mij ook weleens: ‘Je tekeningen zijn geweldig. En Sigmund vind ik ook zo goed.’ Ja, dan neem ik dat compliment ook niet meer serieus. Je zegt ook niet: ‘Ik vind Venetië een prachtige stad. En Tilburg trouwens ook.’ [lacht] Ik vind dit een hele goede vergelijking.

Fragment uit ‘Net niet verschenen boeken’

Harry Mulisch

Als je al een thema in je werk zou moeten zien, dan is het de parodie op het intellectualisme, met de tekeningen van mislukte schrijvers met hun kutromans en nu weer de ‘Net niet verschenen boeken’.
Ja, dat heb ik zelf eigenlijk nooit bedacht, maar dat is zo. Kijk, ik heb altijd vrij simpele, bereikbare boeken gelezen. Ik was daar heel bescheiden in. Toen pakte ik een keer een boek van Celine en toen ik daarin bezig was, dacht ik: raar dat ik dit kan. Dan ben je verloren en ga je die hele wereldliteratuur af, je leest alles. Langzaam zakt die bewondering dan weer, je merkt dat er veel aanstellers bij zitten. En dan realiseer je je dat 95% aanstellerij is. Daar maak ik graag grappen over. Ik heb een enorme hekel aan kringetjes en wereldjes die vanuit een status bepalen wat mooi is.
Wat dat betreft heb ik ook een hele moeilijke week gehad nadat Harry Mulisch doodging. Dat is – sorry, was – echt een on-ge-lo-fe-lijk slechte schrijver. Ja, je lacht, maar het is waar. Hij heeft heel slim geïnvesteerd in vrienden, die voortdurend verkondigden hoe geniaal hij wel niet was. De Marcel van Dammetjes van deze wereld. Als je maar lang genoeg roept dat iets fantastisch is, denken mensen uiteindelijk: “Nou, het zal wel iets zijn.” Ik hoorde op de radio een fragment waarin Mulisch met echte wetenschappers in gesprek ging, die maakten hem finaal af. Dat was wel weer zielig. Het was ook wel een tragische man hoor, met dat gebroken gezin en die oorlog natuurlijk. Dat moest hij dan allemaal compenseren en Harry besloot dat hij geniaal zou worden. En als je dat dan 80 jaar blijft roepen in Nederland, dan gaan mensen dat vanzelf geloven.

Heb je ook iets tegen Amsterdam? Je bent zelf in Tilburg blijven wonen.
Ik kom voor werk natuurlijk veel in de hoofdstad en dan vragen mensen in het café: waar woon jij? Dan zeg ik: Tilburg. En dan beginnen ze te lachen, omdat ze bedoelden: in welke straat in Amsterdam woon jij. Als ze zien dat het geen grap was, zijn ze oprecht verbaasd. Dan realiseer ik me wel dat het toch ook een soort geuzenactie van me is, om hier te blijven wonen. In Amsterdam kom je al snel in een kringetje van jaknikkers terecht, zie Harry Mulisch. Die zullen nooit over je werk zeggen: “Ik vond er geen reet aan.” Dat past niet in de code. Als je een slechte recensie krijgt, zeggen je vrienden: “Ja, die recensent is een lul, ik ken hem wel.”

Je verliest volledig je kijk op wat echt goed is. Arnon Grunberg, W.F. Hermans, Gerard Reve, A.L. Snijders, Tonnus Oosterhoff: de beste Nederlandse schrijvers wonen ver buiten de grachtengordel. Zodra je met eetclubjes begint, ben je verloren. Ik ben bijna altijd alleen en mijn vriendin is genadeloos in haar commentaar. Die kutschrijvers uit mijn tekeningen zijn mensen die omringd worden door jaknikkers, anders waren ze allang opgehouden.

Toch ga jij ook bij de Wereld Draait Door zitten.
Ja, maar zoals ik al zei, komt dat toch doordat ik een zo groot mogelijk publiek wil hebben. Dat heeft puur met verspreiding te maken en doet niets af aan de kwaliteit. Peter van Straaten maakte een tekening van een schrijver die zegt: “Ik heb besloten dat ik voor een kleiner publiek ga schrijven.” Dat is natuurlijk onzin. Je streeft naar succes, dat is heel logisch. Maar je moet wel een zekere afstand van je publiek bewaren. Oppassen voor wat Ronald Giphart ‘de peristaltiek van de roem’ noemde.

Vroeger was je totaal initiatiefloos, tot je moeder je voor de Academie voor de Journalistiek inschreef en je zo langzaam met tekenen doorbrak. Nu ben je heel ambitieus.
Mijn leven is in hoge mate gestuurd door mijn moeder. Ik ben nu inderdaad heel ambitieus, vandaar ook dat ik mijn tekeningen naar het Engels vertaald heb. Ik moet hiervan kunnen blijven leven. Het is mijn uitweg. Dat moet zo blijven.

(Verschenen op hard//hoofd, 2010)

Interview: David Sedaris

Op 35-jarige leeftijd las David Sedaris op de radio een verhaal voor over zijn bijbaantje als kerst-elf in een groot warenhuis in New York. Het wordt nog altijd geroemd als een van de grappigste verhalen die ooit in de Engelse taal is geschreven. Vanaf dat moment rees zijn ster snel; al zijn verhalenbundels werden bestsellers. Wat maakt Sedaris zo onweerstaanbaar? Hij vertelt over dingen die hij meemaakt, met name in de omgang met zijn familie. De manier waarop hij zijn wereld met een combinatie van genadeloze spot en grote tederheid beschrijft, doet de lezer letterlijk schaterlachen. Sedaris is zelf de spil: een ijdel, onhandig en een beetje truttig persoon die een niet te stillen nieuwsgierigheid kent. Wie schrijft deze verhalen? Een gesprek met een lieve en grappige man: “Als je een goed verhaal vertelt tijdens een etentje, dan lachen er negen mensen en eentje zegt er: dat kan nooit. Ik haat die persoon.”

Hoe Sedaris werkt

Is jouw leven bijzonder of heb je een bijzonder oog voor komisch detail?
In veel opzichten is mijn leven zelfs nog minder bijzonder dan dat van anderen. Ik zit heel veel op mijn kamer te schrijven, dat is doodsaai. Maar ik denk dat ik een goede observator ben. Mijn uiterlijk speelt daarin mee. Ik ben klein en val niet zo erg op, ook niet nu ik wat bekender ben. Mensen vertrouwen me graag dingen toe, maar ik ben ook oprecht geïnteresseerd in andere mensen en stel altijd veel vragen. Hoe vaak gebeurt het je nou dat iemand alleen naar jou vraagt? Mensen willen altijd over zichzelf praten en ik luister daar graag naar. Laatst ontmoette ik een fotograaf met een glazen oog en een bril. Hij vertelde me dat de bril duurder was dan het oog. Daar kon ik niet over uit. Hoe kan een oog nou goedkoop zijn? Daar begint het mee. Het is vooral een verschil in ervaring en verwerking. Mijn zus Lisa komt thuis en denkt: wat zal ik eten? Ik kom thuis en denk: wat zal ik schrijven? Als iemand onaardig tegen mij doet, vind ik dat vaak fantastisch.

Bestaat het gevaar dat je te zelfbewust wordt, een soort overfocus?
Dat zou zo zijn als ik mijn dagboek elke keer rechtstreeks zou publiceren, maar het is alleen voor mij. Later kan ik er uit selecteren. Mijn angst is wel dat ik over het leven van gisteren schrijf, in plaats dat ik het leven van vandaag leef. Als ik in een nieuwe stad ben, zit ik binnen te schrijven, terwijl ik op dat moment ook allerlei avonturen zou kunnen beleven. Op een rare manier leef je altijd in het verleden. Daar maak ik me wel zorgen over.

Je kunt het ook niet afdwingen, dingen moeten per ongeluk gebeuren. Esquire gaf me een keer een vrije schrijfopdracht. Toen wilde ik per se in een mortuarium werken, omdat ik altijd al veel doden heb willen zien. Het was fantastisch, maar achteraf wilde ik er eigenlijk niet over schrijven omdat ik die mensen zo was gaan waarderen en het meer een ervaring voor mezelf geworden was. Dat voelde niet goed. Ik ben niet naar Japan gegaan om When You Are Engulfed In Flames te schrijven, maar dat gebeurde wel. En als je eenmaal bezig bent, probeer je dat bewustzijn uit te schakelen om de flow te behouden, net zoals je soms net de juiste vraag aan mensen stelt en ze aan een fantastisch verhaal beginnen. Als je dan een vraag te veel stelt, zeggen ze meteen: ben je een journalist of zo? Dan heb je het verpest.

Zou je jouw nieuwsgierigheid kinderlijk kunnen noemen?
Ja, absoluut. Ik wil altijd alles weten, zonder dat ik dat meteen als materiaal zie. Zoals het verhaal ‘Zes tot acht zwarte mannen’, dat over jullie Sinterklaasverhaal gaat. Ik raakte in Amsterdam met iemand aan de praat en die vertelde me doodonschuldig over Zwarte Piet, pakjesavond en de roe. Daar smulde ik van en ik heb thuis nog nooit zo’n succes gehad met een verhaal. Mensen vielen letterlijk van hun stoel toen ik het voorlas. Wat overigens meer over het chauvinisme van Amerika zegt, dan over de absurditeit van jullie feest.

Hier komt ook je reislust uit voort.
De verandering bevalt me, ik vind het leuk om een buitenlander te zijn. Je ogen zijn maar een korte tijd open en daar wil ik gebruik van maken. In Tokyo stak ik een sigaret op en opeens besefte ik me dat niemand rookte. Je bent je hyperbewust omdat je je moet aanpassen. Je kijkt heel goed naar hoe alles gaat, hoe je mee kunt doen. Dat is een mooie tijd, wanneer je van die brandende ogen heb. Na een tijdje stopt het. Maar ik blijf nieuwsgierig. In Duitsland vroeg ik aan mensen: wanneer heb je een van je ouders voor het laatst naakt gezien? Dan dachten ze even na en zeiden ze: welke dag is het? Dat vind ik geweldig, dan ontdek je een klein cultureel feit. Duitsers zijn heel exhibitionistisch, in de VS zie je je ouders nooit naakt.

Illustratie: Joost Dekkers

Waargebeurde verhalen?

Wat vind jij grappig?
[denkt lang na] Belachelijke momenten, waardoor pretenties blootgelegd worden. Mijn zus reist nu met me mee en gisteren pakte ze in de trein opeens een nepmobieltje en begon daar ontzettend luid mee te bellen. “Yes? WHAT? Yeah, I have the chicken. I HAVE THE CHICKEN MARCY! No, I don’t want to talk to Freddy…” Iedereen keek naar ons en ik schaamde me kapot. Maar het was ook heel grappig omdat het mijn pretenties – de broer die in Europa woont en niet wil opvallen [Sedaris woont in Parijs, -red.] – genadeloos blootlegde. Daar hou ik van. Zelfspot is essentieel. Als je anderen belachelijk wilt maken, moet je jezelf twee keer zo hard aanpakken.

Jonathan Safran Foer zei ooit dat hij geen dagboek bijhield omdat hij zichzelf niet herkende in die stem, terwijl hij in zijn fictie wel zichzelf terugzag. Bij jou werkt dat anders.
Dat is juist hoe ik mijn stem vond, via mijn dagboeken. Maar als ik nu dagboeken van dertig jaar terug lees, herken ik me daar ook niet in. De laatste tijd vind ik de persoon in mijn dagboeken echt verschrikkelijk. Er staat niets in over politiek, maar wel eindeloze beschrijvingen van dingen die ik gekocht heb [lacht].

Is het een eerlijkere versie van jezelf?
Ja, en dat is een verschrikkelijk persoon. Ik zou doodgaan als iemand mijn dagboek las, of ik zou diegene moeten vermoorden. Daarom zijn mijn verhalen nooit letterlijke transcripties uit mijn dagboeken.

Je zei ooit: “Niets van dit alles bestaat, totdat ik het opschrijf.”
Ik moet dingen opschrijven om ze te kunnen verwerken. Gisteren was ik naar Makkum, een klein plaatsje in Friesland. Ik was nog nooit in een Nederlands dorp geweest, alleen in de steden. Ik vond het geweldig. [pakt notitieblok en bladert er doorheen] We zijn naar het strand geweest, op de weg terug stopten we bij een supermarkt en daar zat een man in zo’n elektrisch rijwagentje en die had achteruitkijkspiegels, dat vond ik grappig… Maar er gebeurde niets bijzonders. Toch stond ik vanochtend op om dat allemaal in mijn dagboek op te schrijven. Als ik dat niet had gedaan, was ik nu heel onrustig geweest en zou ik alleen maar kunnen denken: “Ik moet nu naar mijn kamer om al die details op te schrijven.” Wie kan het uiteindelijk wat schelen? Niemand. Maar het is compulsief, ik kan niet anders.

Hoe dun is de lijn tussen fictie en persoonlijke non-fictie?
Die lijn is sowieso heel erg dun. Maar ik denk dat het verschil hem zit in het interessant maken van het verhaal. Als ik nu aan jou vertel wat ik vandaag gedaan heb, dan val je halverwege in slaap. Maar als ik met een goede timing en een mooie opbouw bepaalde details voor je uitspel en je enigszins verras, dan zit je op het puntje van je stoel. Dus schrijf ik fictie of non-fictie? Ik heb geen idee en het kan me ook niets schelen. Laatst verscheen er een artikel in de New Republic waarin een journalist me van leugens betichtte. Maar er stond niet dat ik geen vier zussen en een broertje heb, dat ik heb verzonnen dat mijn moeder aan kanker doodging of dat mijn achternaam Sedaris is. Er stond: Sedaris schrijft dat hij in een gesticht heeft gewerkt waarvan hij de bouw als ‘gotisch’ omschrijft. Maar het is meer in de Toscaanse stijl gebouwd! Ja, is dat het dan?

Maar is het sowieso niet heel raar dat ze dat überhaupt onderzoeken? Jouw verhalen zijn toch gewoon wat ze zijn?
Ik snap het ook niet. Als ik voor The New Yorker schrijf, zetten ze ook fact checkers aan het werk. Die zeggen dan: in dit verhaal heeft u het over een klok in uw ouderlijk huis die van mahoniehout zou zijn, maar we hebben uw vader gebeld en die zegt dat hij van kersenhout is. Dat verander ik dan, want ik wil dat soort dingen wel correct opschrijven. Maar soms is het wel irritant. Als je een goed verhaal vertelt tijdens een etentje, dan lachen er negen mensen en eentje zegt er: dat kan nooit. Ik haat die persoon. Als die vervolgens zelf een verhaal vertelt, sterf je van verveling. Ik vind dat er een groot verschil is tussen een krantenartikel over Afghanistan en een anekdote over iets wat je op de basisschool is overkomen. Dat eerste moet kloppen, dat tweede moet gewoon een goed verhaal zijn.

 

IJdelheid

Je bent uiteindelijk via de radio doorgebroken. Nu zijn je audioboeken enorm populair. Je stem is een belangrijk onderdeel van je succes.
Dat vind ik heel vreemd, omdat ik mijn stem haat. Toen ik voor de radio gevraagd werd, verbaasde me dat ook enorm. Het was alsof iemand me vroeg om onderbroekenmodel te worden [lacht]. Waarom ik? Ik kan het ook nooit terugluisteren, dat vind ik echt de hel.

Toch doe je graag lezingen.
Oh ja, daar ben ik gek op! Ik vind het fantastisch om een directe reactie van mijn publiek te krijgen, om mensen te zien lachen. Het is ook confronterend, maar als ik iemand zie weggaan denk ik altijd: dat is een dokter die naar een spoedgeval moet. En als er nog iemand vertrekt denk ik: wat gek, nog een dokter. Zo houd ik mijn onzekerheid een beetje onder controle. Maar meestal waarderen mensen wat ik doe.

Heb je nog steeds dezelfde ijdelheid die je als kind had?
[in zichzelf:] Ja… Ja, dat is waarschijnlijk wel zo. Dat is moeilijk om toe te geven. Soms zeg ik tegen mezelf: je bent 53, is dit nog nodig? [lacht] Maar als je ouder wordt, kun je het wel vermommen. Je staat niet meer schaamteloos te springen om aandacht, terwijl die behoefte niet veranderd is. Nu verpak ik het als onzekerheid, of verlegenheid. Maar natuurlijk is dat onzin. Ik ben ijdel. Dat is waarom ik niet wil dat mensen foto’s van me maken; ik vind niet dat ik er goed uitzie. Ik wil er niet zo uitzien [gebaart naar zijn lichaam], het is niet wat ik voor mezelf gepland had. Maar dat zeg ik niet. Ik zeg: er zijn al genoeg foto’s van me, ik haat het stil staan, blablabla. Als ik vond dat ik er goed uitzag, zou ik de hele dag fotoshoots doen.

De behoefte aan aandacht blijft?
Ik vind al het succes fantastisch. Maar ik ben er wel dankbaar voor. Ik denk dat zoiets maar een korte tijd kan duren, dus geniet ik er met volle teugen van. Op de dertigste avond van een tour sta ik nog steeds in de coulissen te trappelen om het podium op te gaan. Ik vind het nog steeds leuk om signeersessies te doen en dat meen ik. Dit is alles wat ik wilde, dus dan ga ik nu niet opeens blasé lopen doen. Dat zou echt treurig zijn.

Zou je nog steeds schrijven als niemand er interesse in had?
Vroeger vertelde ik verhalen aan de eettafel en nu schrijf ik ze op. Ik zal altijd blijven schrijven, maar ik weet niet of ik zal blijven publiceren. Ik wil op tijd stoppen, voordat de interesse weer verdwijnt, want dat gaat zeker gebeuren. Als je eenmaal voor 3000 man hebt voorgelezen, kun je het niet meer voor 17 mensen doen. Ik denk heel vaak: wat als dit de laatste keer is? Ik zal echt huilen, maar het accepteren. Dus ik hoop dat ik op tijd doorheb wanneer ik niet meer gewenst ben. Dan is het: no hard feelings, en ben ik weg.

De Nederlandse schrijver Simon Carmiggelt kende een vergelijkbare schrijfstijl. Hij was altijd extreem bescheiden en noemde zijn werk ‘een stoet van dwergen’.
[lacht] Zo zie ik dat ook op een bepaalde manier. Ik kijk enorm op tegen schrijvers die grote onderwerpen aanpakken, zoals Jonathan Franzen. Mijn vriend is schilder en als hij naar het museum gaat, komt hij depressief thuis omdat hij vindt dat hij er niks van kan. Dat heb ik als ik Franzen lees. Maar ik denk ook steeds vaker: ach ja. Als je jong bent, wil je steeds anderen zijn. Ik heb mijn stem gevonden. Soms fantaseer ik er wel eens over om mijn nieuwe boek onder een valse naam naar een uitgever te sturen, zodat het niet op mijn naam beoordeeld wordt. Daar maak ik me veel zorgen over, of mensen me niet gebruiken omdat ik nu eenmaal goed verkoop. Maar daarvoor heb ik mijn vriend Hugh, die zal altijd eerlijk zijn. Mijn zelfvertrouwen is best laag, en dat is goed. Als je zelf in de hype gaat geloven, dan heb je pas een probleem.

(Verschenen in De Standaard, 2011)