Weer verrassend weinig doden bij amateurverhuizingen

AMSTERDAM – In heel Nederland is afgelopen weekend helemaal niemand overleden bij verhuizingen door onprofessionele, zichzelf overschattende jongeren. Er werden in het lentezonnetje wederom duizenden banken naar derde of zelfs vijfde verdiepingen getakeld, waarbij de sjouwers recht onder het vervaarlijk slingerende object stonden te hijgen en te puffen, zonder dat er ook maar één persoon in het ziekenhuis belandde. “Ik ben gewoon komen helpen,” sprak Bas Noordveld (27) op zondagochtend in Amsterdam, wiens adem duidelijk nog naar alcohol rook en die op basis van zijn instabiele voorkomen niet in de buurt van zwaar tilwerk toegestaan zou mogen worden, maar die toch in zijn eentje verantwoordelijk was voor het touw waarmee op dat moment vier spiegels en een bowlingbal naar boven werden getakeld.

$_83

“Twintigers verhuizen vaak en hebben weinig geld,” aldus socioloog Gert Mieren. “Ze beroepen zich dus op de hulp van vrienden en familie, die eigenlijk geen zin hebben om te komen helpen. Als ze dan toch komen opdagen, hebben met name de mannen vaak last van een totaal verknipt zelfbeeld, waarbij hun idee van hun eigen ruimtelijk inzicht en fysieke kracht totaal niet overeenkomt met de werkelijkheid.” Op de vraag waarom er eigenlijk nooit iemand sterft bij deze overduidelijk levensgevaarlijke combinatie van loodzware objecten en grootheidswaanzin reageerde Mieren net zo verbijsterd als de verslaggever. “Het tart met alles wat we over kansberekening dachten te weten.”

Gek genoeg werd er dus tijdens deze twee traditionele verhuisdagen niemand verpletterd onder een wasmachine die zonder enig plan van aanpak zes trappen op gesleurd werd, een operatie van anderhalf uur die op wat kleine verfschade na wonderwel slaagde. Er gebeurden ook geen dodelijke ongelukken met veel te volle huurbusjes, die toch bestuurd werden door zeer onervaren, naïeve jongeren. Lokale verslaggevers spraken van ‘een fucking godswonder’ dat iedereen ongedeerd bleef bij deze massale flirt met het noodlot, die op een vreemde manier ook wel weer ons geloof in het menselijk kunnen enigszins herstelde.

Essay: Blijven wij bij elkaar?

In 2000 kwam de band Doe Maar weer samen, voor een aantal reünieconcerten. Daarnaast brachten ze hun laatste studioalbum uit, met de toepasselijke titel ‘Klaar’. Mijn ouders kochten deze CD en ik smokkelde hem mee naar mijn tienerkamer. Zo raakte ik als vijftienjarige puber in de ban van de muziek van een band die een jaar voor mijn geboorte op het hoogtepunt van hun roem uit elkaar was gegaan. Toevallig kwam ik tegelijkertijd in de klas met een zoon van Doe Maar-zanger Henny Vrienten, die een goede vriend van mij werd.

‘Klaar’ gaat over de angsten van mannen van middelbare leeftijd. Henny Vrienten zong al in 1982: “Is dit alles?” Op ‘Klaar’ probeert hij in het nummer ‘Leven met een zeven’ juist de schoonheid van het kleine burgergeluk te bezingen. Maar hij lijkt dat niet vol te houden: even later trekt hij in ‘Aan de bewoners van dit pand’ weer ouderwets van leer tegen een gezin dat volledig ingedut is. Het lievelingsnummer van mijn ouders was ‘Bij elkaar’, waarin Ernst Jansz zingt: “Blijven wij bij elkaar, om eelt op ons hart te kweken?/Blijven wij bij elkaar, tot dat hart niet meer kan breken?” Ik denk dat deze tekst ze zo ontroerde omdat zij ook regelmatig voor een breekpunt hadden gestaan, waarna ze toch telkens besloten hadden om samen door te gaan.

Ze vormden een uitzondering. In 2001 werden 37.104 echtscheidingen aangevraagd, veel meer dan in 1991 (28.419) en nog altijd een record (in 2013 liepen 33.636 huwelijken stuk). In mijn klas maakte bijna wekelijks iemand bekend dat zijn ouders uit elkaar gingen. Kwam deze golf van uiteengaan door de reünietour van Doe Maar, die de lustgevoelens van volgroeide tienermeisjes had aangewakkerd, of die kalende babyboomers versneld in hun midlifecrisis had geduwd? Ik kon het Henny Vrienten niet vragen: toen ik eenmaal regelmatig bij mijn nieuwe vriend over de vloer kwam, was ook zijn vader bij diens nieuwe vriendin ingetrokken.

Liefdesbang
Vorig jaar kocht ik het boek Liefdesbang: overwin verlatingsangst en bindingsangst. Op de achterkant van de felroze kaft vond ik tot mijn verrassing een aanbeveling van Doe Maar-zanger Ernst Jansz: ‘Leerzaam en ontroerend. En o, wat valt er veel te herkennen.’

Bindingsangst. Hoe kon het dat ik in deze positie terechtkomen was? Ik was juist altijd een heel romantische jongen geweest – dat was ook de reden dat ik zo van de muziek van Doe Maar hield. Als ik mijn lievelingsserie Sex and the City keek, juichte ik voor Aidan en verfoeide ik Mr. Big. Maar naarmate ik opgroeide bleek dat ik ondanks – of dankzij – mijn romantische inborst steeds eenzamer werd. Ik liep jarenlang achter meisjes aan die mij net niet wilden. Als een meisje mij wel leuk vond, zag al snel een opeenstapeling van imperfecties.

Toen ik mijn vriendin ontmoette, besefte ik dat ik dit keer moest doorzetten. Maar hoe fijn ik het ook vond om met haar samen te zijn, ik wilde niets inleveren. Elke keer als ze over samenwonen begon, voelde het alsof iemand langzaam mijn keel dichtkneep. Ik hield mijn afstand door in mijn hoofd voortdurend de rimpels in haar ooghoeken en de donshaartjes op haar kin uit te lichten. Ik kon niet geloven dat dit alles was en dacht nog steeds dat er ergens een mooiere, slimmere en geilere vrouw op me wachtte. Mijn vriendin was zo onzeker dat ze deze voortdurende onzekerheid pikte. Maar als ze toch dreigde om weg te gaan, brak ik plotseling en smeekte haar om te blijven. Op dat soort momenten zag ik echt wel in dat ik een probleem had. Daarom greep ik naar dat zelfhulpboek. Ik wilde er echt vanaf.

Volgens Hannah van Cuppen, de schrijfster van Liefdesbang, weten mensen met verlatingsangst en bindingsangst elkaar blind te vinden. Er ontstaat vervolgens een frustrerende dynamiek van aantrekken en afstoten, die ze ‘de dans’ noemt. ‘Wat je gemeen hebt is dat je allebei diep vanbinnen even bang bent,’ schrijft ze. Deze dans is bijna niet te doorbreken. Dat herkende ik: hoewel mijn vriendin en ik nooit zeker van elkaar waren, lukte het ons ook nooit om het uit te maken. Onze twijfel was verslavend.

Ik begreep nu dat ik aan bindingsangst leed, die zo kon omslaan in verlatingsangst, en dat dit me voor altijd zou blijven achtervolgen. Wat nu? Het is heel moeilijk om je verlangens te veranderen. Ik zag nog voortdurend alle onvolkomenheden in het uiterlijk en het innerlijk van mijn vriendin, als een gekmakende serie foutmeldingen op een computer, en ik geloofde nog steeds in de perfecte liefde. Hoe kun je tegen jezelf zeggen dat wat je denkt niet klopt, zonder door te draaien? In het begin lukte dat ook niet zo goed, en kwam ik in een diepe depressie terecht. Van Cuppen komt met een ouderwets Freudiaanse oplossing: kijk naar de pijn uit je jeugd.

Volledig in paniek
Als jong kind droomde ik soms dat mijn ouders doodgingen in een auto-ongeluk, waarna mijn broertje en ik bij onze peetouders moesten wonen. Op latere leeftijd wist ik zeker dat mijn mooie jonge moeder een affaire had en van ons weg zou gaan.

Het is logisch dat een kind bang is om verlaten te worden: in de natuur zou je zonder de bescherming van je ouders een zekere dood gestorven zijn. Maar bij mij werd het erger naarmate ik ouder werd. De angst was ook niet uit de lucht gegrepen: mijn ouders verdwenen soms echt. Op mijn tiende (toen Henny Vrienten vooral filmmuziek maakte) ging mijn vader of mijn moeder vaak een week bij vrienden logeren. Ze probeerden hun hevige ruzies bij ons weg te houden, maar ’s avonds luisterde ik boven aan de trap naar hun geschreeuw.

Ik probeerde als oudste kind sterk te zijn en zelfs te bemiddelen in hun conflict. Op andere momenten moest ik dan heel hard huilen, zonder dat ik begreep waarom. Zodra mijn vader en moeder een avond uitgingen, raakte ik volledig in paniek. Ik belandde bij een kinderpsycholoog. Met haar hulp ontwikkelde ik een aantal trucs. Als mijn ouders naar de film waren, deed ik in mijn bed alsof ik op afstand met ze kon praten – Whatsapp bestond nog niet. “Het is oké, we zijn wat later omdat er file is,” zei mijn vader dan zacht. Ik knikte en viel in slaap.

Scheiden of blijven
Toen ik mijn moeder over Liefdesbang vertelde, stond ze op en trok een ander boek uit de kast. “Hier heb ik veel aan gehad toen het niet goed ging tussen je vader en mij,” zei ze. Scheiden of blijven: een gids die je helpt bij het nemen van de juiste beslissing, las ik op de kaft.

Relatietherapeute Mira Kirshenbaum bespreekt in elk hoofdstuk een zogenaamde ‘diagnostische vraag’ (“Denk aan de tijd dat alles tussen jou en je partner op zijn best was. Kun je nu zeggen dat alles tussen jullie toen ook écht heel goed was?”), en eindigt met een simpel devies (“Als alles op het ‘beste’ moment van de relatie tussen jullie beiden niet goed aanvoelde of niet goed liep, durf ik gerust te zeggen dat het beter is als je weggaat”). Omdat ik zo erg twijfelde aan mijn relatie, maar ook aan mijn eigen ideeën over liefde, was het prettig om zulk helder advies te krijgen.

Er was echter één probleem: mijn moeder was vergeten dat zowel zijzelf als mijn vader aantekeningen hadden gemaakt. Het boek stond dus vol met vertrouwelijke informatie over hun huwelijk. Mijn moeder was duidelijk de eerste lezer geweest, met haar kleine commentaar (“Klopt”), terwijl mijn vader er in de tweede golf zijn rationele vermogen op had losgelaten (“Hoeveel geeft zij eigenlijk?”). Ik probeerde deze potloodflarden te negeren, maar toen ik bij het hoofdstuk over seks aankwam, heb ik toch maar even een uurtje zitten gummen.

Ik begreep wel dat mijn vader zich aangevallen voelde. Het boek leek zich uitsluitend op een vrouwelijk lezerspubliek te richten – net zoals Liefdesbang overigens. Ook op het internet vond ik vooral twijfels van vrouwen, en klaagzangen over bindingsangstige mannen. In elk advies, hoe professioneel ook, zat een bepaald feministisch venijn. Ik werd steeds als verloren beschouwd, terwijl een vrouw die met een onverbeterlijke narcist als ik in een relatie zat, nog kon vluchten. Zo kwam ik tijdens het lezen van Scheiden of blijven al snel tot de conclusie dat mijn vriendin bij mij weg moest gaan. “Diagnostische vraag 12: Ben je bereid om je partner meer te geven dan je al doet, zonder daarvoor ook meer te verwachten van haar kant?”

Engel
Dat was precies dezelfde vraag die Dr. Engel mij stelde: ‘Wat gééf jij eigenlijk in je relatie?’ Mijn meest recente psycholoog had grijs, piekerig haar, licht uitpuilende ogen en een permanent ironisch lachje op zijn gezicht. Hij leek een beetje op een wijze, grappige uil.

‘Ik ben vaak ook lief hoor,’ sputterde ik al tegen. Engel onderbrak me direct. ‘Ja ja,’ zei hij, ‘jij geeft ook. Dan kom jij langs, en dan neem jij friet mee.’ Hij leunde achterover en lachte een beetje om dit beeld. Ik keek hem verward aan. ‘Friet?’ ‘Nee, ja, jij neemt friet mee,’ zei hij, bijna tegen zichzelf. ‘Maar daar houdt ze helemaal niet van, en ik…’ ‘Hoezo niet?’ sprak hij verbaasd. ‘Iedereen houdt toch van friet? Een beetje mayo erbij, heerlijk. Ja, nee, jij neemt friet mee.’ Nu moest ik ook lachen. Ik begreep niet helemaal wat hij met deze metafoor bedoelde – en of het überhaupt een metafoor was. Maar na alle pogingen om met mijn verstand en boeken mijn denken te veranderen, was deze absurde grap het ideale medicijn. Ik kon lachen om mijn eigen narcisme, zonder dat ik meteen weer het gevoel kreeg dat ik de duivel was.

Op weg naar huis luisterde ik naar de Savage Lovecast. De homoseksuele Dan Savage geeft in deze podcast op een heel directe manier antwoord op vragen van luisteraars over seks en liefde. Een meisje vertelde over haar bindingsangstige vriend. Savage, die normaal zelfs geduldig reageert op mensen met een fetisj voor klerenhangers, was opvallend geërgerd over dit fenomeen. ‘Ik heb zo’n genoeg van dat cliché,’ zei hij zuchtend. ‘Die mannen zijn gewoon bang voor de dood. Wat een mietjes. Het is heel simpel. Als je denkt aan ‘voor altijd samenzijn’, denk je automatisch aan het einde van je bestaan. En dat is eng. Maar we gaan allemaal dood. Deal with it.’

Opeens begreep ik het. Romantiek is perfectionistisch, en dat is weer kinderachtig en narcistisch: je verwacht dat je alles krijgt wat je wilt, en bij een klein gebrek begin je verongelijkt te verlangen naar een nieuwe kans op perfectie. Maar zo blijf je nooit lang genoeg op één plek om diepgang te kunnen creëren, en ontwikkel je je nauwelijks. ‘Is dit alles?’ vraagt zo’n man zich af; in feite zou zijn vrouw dat aan hem moeten vragen.

De dynamiek doorbroken
Mijn vriendin en ik wonen nu twee maanden samen. Het duurde lang voordat het lukte om ons aan de dynamiek te ontworstelen. De oplossing lag uiteraard in liefde voor onszelf. Zodra zij meer zelfvertrouwen kreeg, begon ze voor het eerst serieus aan onze relatie te twijfelen. Ik bepaalde niet meer het tempo, wat in eerste instantie pijn deed, maar het maakte onze verhouding gelijkwaardiger. Zij gaf toe dat ze samenwonen ook eng vond, waardoor ik niet meer de enige klootzak was. Ik gaf me vaker over aan mijn behoefte aan warmte. Intussen probeerde ik om niet van zelfkritiek naar zelfhaat door te schieten. Toen ik mezelf toestond om een beetje bang te zijn en de tijd te nemen, merkte ik opeens dat de angst voor samenwonen verdween en ik er zin in had.

Het blijft vreemd om te merken hoe moeilijk we kunnen doen over iets dat zo fijn is. Intimiteit is heel simpel. Als ik me nu angstig voel, ga ik gewoon met mijn vriendin op de bank liggen en druk ik mezelf zo dicht mogelijk tegen haar aan. Ik ga dood, denk ik dan, dat is zeker. Maar nu nog niet.

Commentaar: Lubitz was niet depressief

Andreas Lubitz, de co-piloot van vlucht 4U9525 en de waarschijnlijke moordenaar van 149 medepassagiers, was depressief. Deze ontdekking werd breed uitgemeten in de pers. Wist GermanWings ervan? Moeten piloten niet vaker psychologisch getest worden? Nadat er bij Lubitz thuis antidepressiva werden gevonden, was het oordeel al helemaal geveld. Zie je wel, iemand die dat soort blijdschapspillen moet slikken, zal wel een gevaarlijke gek zijn. Ik begrijp niets van het gretige gebruik van het toverwoord ‘depressie’. Als Lubitz aan deze ziekte leed, is dat juist geen verklaring voor zijn misdaad. Bovendien riskeren we met deze nadruk dat andere psychiatrische patiënten onterecht als risicofactoren gezien zullen worden.



Ik spreek uit ervaring. In de winter van 2014 werd ik door een combinatie van grote werkdruk en persoonlijke ontwikkelingen bevangen door een combinatie van hevige angstaanvallen en depressie. Ik sliep nauwelijks nog, kon niet meer lezen of televisie kijken. Een gesprek kostte me heel veel moeite. Het enige wat ik kon doen, was slaafs luisteren naar de eindeloze stroom gedachten in mijn hoofd, die telkens hetzelfde verhaal vertelden: er is iets grondig mis met je, als je ooit gelukkig wilt worden, zul je nu onmiddellijk radicaal moeten veranderen. De angstaanvallen voelden alsof zeven mannen vlak bij mijn gezicht instructies schreeuwden, ieder in een taal die ik niet begreep. Ik was totaal verlamd.



Lubitz zal uiteraard psychische problemen hebben gehad, die zeker als verklaring voor zijn horrordaad kunnen dienen. Maar hij kan nooit puur en alleen depressief zijn geweest toen hij het toestel de Alpen in liet storten, zoals verschillende experts in The Guardian en op Slate hebben aangegeven. Dr. Charles Raison, professor in de psychiatrie aan de Universiteit van Arizona zei tegen CNN: “De meeste depressieven doden hooguit zichzelf. Het is heel, heel ongebruikelijk dat ze anderen vermoorden. Ik denk daarom dat er meer aan de hand was, zoals een persoonlijkheidsstoornis.” De grandeur en vastberadenheid van Lubitz’ beslissing zijn juist twee kwaliteiten die een depressie genadeloos van je afneemt. Als de co-piloot echt depressief was geweest, dan was hij niet uit bed gekomen om naar het vliegveld te gaan.



Het probleem met dit vingerwijzen is, zoals we eerder zagen na de smalende reacties op de zelfmoord van Robin Williams (“Egocentrisch!”) en de spot die Tarik Z. ten deel viel, dat psychische ziekten op deze manier een groot taboe blijven. Zo houden we een moeilijk waarneembaar ziektebeeld, waar een groot deel (1 op de 5 Nederlanders) van de bevolking mee te maken krijgt, in het verdomhoekje. Mensen die met depressie kampen, krijgen daar nu ook een portie schaamte bij, waardoor ze nog minder snel hulp zoeken.



Om dit soort rampen te voorkomen moeten we er juist voor zorgen dat binnen het werkklimaat van piloten en de rest van de samenleving niet gezwegen wordt over depressie of andere geestesziekten die ons functioneren kunnen beïnvloeden. Het verbergen van deze gaten in onze ziel, simpelweg omdat we door moeten gaan en erbij willen horen, kan een stoornis alleen maar verergeren. De GermanWings-tragedie biedt ons een kans om dit onderwerp met mededogen te benaderen. In plaats daarvan blijven we hangen in onze angst voor angst.



Dat begrijp ik ook wel. Voordat ik bij mijn strot gegrepen werd door mijn zwarte gedachten, was ik erg tegen antidepressiva. Ik kon me weinig voorstellen bij een zware depressie en ik vond het een vreemd idee dat je met een pil de problemen des levens te lijf moest gaan. Sterker nog, ik vond het zwak. Tot ik las over de genetische oorsprong van depressie en hoe ik in feite pech had gehad in de biologische loterij. Depressie zit in mijn familie (net als een stuk grootheidswaan – een stoornis die veel relevanter is in het geval van Lubitz).



Ik zei tegen mijn psychiater dat ik het als valsspelen zag, als doping. Hij antwoordde: “Hoezo? Je hebt een ziekte die fysiek aantoonbaar is. Als een zwemmer een longontsteking krijgt, dan neemt hij toch ook antibiotica?” Toen ik de eerste pil innam, was ik verschrikkelijk bang dat ik zou veranderen. Tijdens eerste week las ik toevallig een artikel in de Volkskrant waarin de nauwelijks gefundeerde stelling werd opgeworpen dat antidepressiva voor permanente seksuele problemen zouden zorgen. Mijn woede over dit staaltje bangmakerij was gek genoeg een eerste teken van leven. Uiteindelijk hebben antidepressiva, die ook zeker nadelen hebben, me op de been geholpen. Ik kon weer slapen en werken.



Na de aanslag op het kantoor van Charlie Hebdo werden moslims gevraagd om afstand te nemen van de daad. Gematigde moslims reageerden gepikeerd: dat iemand in naam van mijn geloof een terroristische aanval uitvoert, maakt mij toch niet medeplichtig? De hashtag #notmyislam werd in het leven geroepen. Op eenzelfde wijze zou ik me als voormalige depressieveling graag willen distantiëren van Andreas Lubitz, die nu tot mijn lotgenoten wordt gerekend. Dit is geen depressie: #notmydepression.



Aan de andere kant. De golf van racisme die in Frankrijk en daarbuiten volgde op de Hebdo-aanslag, was inderdaad belachelijk. Maar ergens hadden de commentatoren een punt: ook als je zelf niet vindt dat iemand bij ‘jouw’ geloof hoort, heb je een verantwoordelijkheid om mensen in jouw gemeenschap te houden. Als een jongen die overweegt om zich bij IS aan te sluiten wekelijks in jouw moskee komt, kun je hem proberen om de zachtere kanten van de Islam te laten zien. Hetzelfde geldt voor geesteszieken: in plaats van dat we ze met stigma’s en schaamte nog verder weg duwen, waardoor ze misschien uit hun depressie komen omdat ze door moeten blijven gaan, maar de diepere problemen niet echt oplossen, moeten we ze juist hulp bieden. Depressie leidt niet tot massamoord, maar Lubitz wijst me met zijn gruweldaad wel op mijn verantwoordelijkheid om altijd met mensen om me heen te blijven praten. Hoe eng en gek ze ook zijn.

Interview: Ben Lerner

Voor de officiële aanvang van het interview vertelt Ben Lerner (1979) dat hij de avond ervoor in de studio van VPRO Boeken zat, toen halverwege bleek dat er iets mis was met zijn microfoon en ze opnieuw moesten beginnen. “Ik beantwoordde vragen die de presentator al had gesteld, en opeens voelde het alsof ik acteerde en we een script volgden. Een raar, maar interessant gevoel.” Later in het gesprek zal hij zeggen: “Fictie kan ons bewust maken van de andere ficties die ons leven binnendringen.”

Lerner, auteur van drie veelgeprezen dichtbundels, was altijd al gefascineerd door de gemaaktheid van onze identiteit en ervaringen. In Lerners debuutroman Leaving the Atocha Station (2011) zoekt zijn alter ego Adam Gordon, een dichter die met een beurs in Madrid verblijft, steeds wanhopiger naar een authentieke kunstervaring, naar “datgene wat artistieke media van massamedia onderscheidt” (zoals Lerner het zelf uitdrukt). Het semi-autobiografische verhaal speelt zich net als Lerners poëzie af op de grens tussen kunst en werkelijkheid, en is op die manier herkenbaar voor iedereen die in ons bij vlagen onwerkelijke tijdperk leeft. In zijn nieuwe omgeving, waar hij de taal niet spreekt, begint de apathische, hysterische, hyperzelfbewuste en zelfdestructieve Gordon aan een virtuoos spel met zijn eigen identiteit. Wie is nu Ben Lerner?

In je roman en het korte verhaal The Golden Vanity (dat onlangs in weekblad The New Yorker en in Nederland in Das Magazin verscheen, RL) heb je er bewust voor gekozen om autobiografische elementen toe te voegen en zo de lezer te verwarren. Maar is dat niet ook verwarrend voor jezelf?

“Ik denk dat alle proza autobiografisch is. Juist daarom vond ik het leuk om dat letterlijk toe te passen in mijn werk en zo ook in relatie tot de auteur de vraag ‘wat is echt?’ op te werpen. Het paste perfect in het thema van oplichterij en authenticiteit dat zo belangrijk is voor Leaving the Atocha Station. Je hebt dus gelijk, ik koos bewust voor een element van verwarring, maar ik had niet verwacht dat iemand het boek zou lezen. Het is niet zo dat ik na het onverwachte succes het onderscheid tussen Adam Gordon en mijzelf uit het oog verloor, maar ik kom nu steeds met hem in aanraking als een soort dubbelganger die bestaat in de hoofden van andere mensen. Dat is een onbedoeld bij-effect, maar eigenlijk ook heel interessant. In de eerste versie van de roman heette de hoofdpersoon ook gewoon ‘Ben Lerner’. Ik heb dat veranderd, maar zou dat nu niet gedaan hebben. Dan had ik nog meer uit die spanning kunnen halen.”

Adam Gordon is onuitstaanbaar zelfbewust en verlamt zichzelf daardoor keer op keer. Je ziet dit steeds meer onder jongvolwassenen. Waardoor komt dit, denk je?

“Daar zijn heel veel culturele redenen voor te bedenken. Kijk, Adam Gordon is een blanke hoogopgeleide jongeman, die zich heel erg bewust is van zijn voorrechten. Vroeger zou zijn opleiding de trots daarop bevestigd hebben: je hoort bij de elite, de besten van het land, maak het waar. Maar in de eenentwintigste eeuw is hij juist academisch getraind in het bekritiseren van zichzelf en de wereld om hem heen. Hij behoort tot de elite van een land waar hij niet in gelooft, hij is zich bewust van al zijn eigen beperkingen.

Daarnaast is er de constante vraag wat er echt is in onze cultuur. Dit is een eeuwenoude kwestie, maar met al onze communicatietechnologie en kennis van het brein is het alleen maar ingewikkelder geworden. Adam slikt psychiatrische medicatie en leest het nieuws over wat er onder zijn raam gebeurt op het internet. De metroaanslagen in het Madrid van 2004 vinden plaats, hij loopt ertussen en voelt niets. Er is een constante afstand tussen hemzelf en zijn eigen ervaring. Ik denk dat we dat allemaal herkennen. Het is steeds moeilijker om te bepalen of we echt zien wat er gebeurt of dat het door een bepaald medium bewerkt is.”

Je schrijft zelf ook erg zelfbewust. In de roman wordt zo nu en dan naar je eigen dichtwerk en de roman zelf verwezen en in interviews citeer je soms hele alinea’s uit je eigen boek. Daarnaast lees je veel academische boeken over proza en poëzie. Zijn dit niet allemaal dingen die het intuïtieve deel van het schrijven bemoeilijken?

“De roman is altijd zelfreflectief geweest, al sinds Don Quijote. Het gaat vaak over het schrijven van een boek of over het boek dat we aan het lezen zijn. In sleutelromans is de grens tussen fictie en werkelijkheid ook onduidelijk. Ik wilde dat spel nog explicieter toepassen in mijn boek. Een van de belangrijkste dingen die fictie kan doen, is ons bewust maken van de andere ficties die ons leven binnendringen. Ik probeer dat bewustzijn te stimuleren door een bepaalde eerlijkheid over het eigen creatieproces toe te passen. Je ziet hoe ik fictie creëer, hoe het onderscheid tussen Adam Gordon en mij vervaagt, en realiseert je daardoor hopelijk dat dit constant gebeurt in je eigen leven, dat het functioneren van onze maatschappij afhankelijk is van ficties. Ik vind dat interessanter dan wanneer er gedaan wordt alsof het boek niet geschreven is, alsof je alleen maar naar een andere wereld getransporteerd wordt.”

Wat betreft intuïtie en schrijven: voor mij is het onderscheid tussen de rationele analyse en de irrationele intuïtie helemaal niet zo duidelijk. Ze lopen door elkaar. Ik ben een groot fan van de denker Georg Christoph Lichtenberg. Hij zei dat het geheim van zijn genie was dat hij een bochel had, waardoor zijn hoofd en hart dicht bij elkaar zaten [lacht].”

Het idee van een uit puur uit inspiratie scheppende kunstenaar is een romantische mythe?

“Je kunt niet een idee rechtstreeks op een pagina gooien. Je moet er aan werken, en tijdens het schrijven ontdek je wat er mogelijk is in de interactie met de woorden en het moment. Ik denk vaak aan Tolstoy, die zich naar huis haastte om te zien wat Vronsky nu ging doen. Kunst is een kwestie van componeren – ik heb dat geleerd als dichter. Maar het geldt ook voor goede essays of interviews. Elke serieuze vorm van schrijven draait om verkenning, en niet puur om een beschrijving. Daarom moet je geen onderscheid maken tussen inspiratie en werk, tussen onderbewustzijn en bewustzijn, tussen denken en gevoel. Je moet met al het materiaal en al je capaciteiten aan de slag om erachter te komen wat er mogelijk is.”

Jonathan Franzen claimt dat je geen goede proza kunt schrijven als je een internetaansluiting op je werkkamer hebt. Het internet speelt een belangrijke rol in jouw roman – Gordon spendeert veel tijd online en een chatsessie met zijn vriend Cyrus vormt in zekere zin de kern van het verhaal. Hoe ga jij als schrijver om met de afleidende werking van het internet?

“Dat is moeilijk. Ik probeer wel eens offline te blijven, maar dan kan ik niet schrijven. We leven in een vreemde tijd: je kunt een zin googlen en zien hoe vaak die gebruikt is, of op Wikipedia een feit checken. Geen enkele schrijver had ooit zo’n fantastisch hulpmiddel tot zijn beschikking. Het is voor mij dus een heel belangrijk compositiemechanisme, maar ik kijk online ook vaak naar stompzinnige onzin, of word afgeleid door vrienden die met me willen chatten. Intense focus en intense afleiding zijn voortdurend heel nauw met elkaar verbonden. Het heeft dus zeker een grote invloed op mijn schrijven, maar ik denk dat we nog niet kunnen weten wat die invloed precies inhoudt.”

Adam Gordon voelt een afstand tot zijn ervaring, omdat het in de media-samenleving steeds moeilijker is om te onderscheiden wat echt is. Moeten we ons meer van informatie leren afsluiten?

“Mensen denken nog steeds dat het internet een bevrijdende en democratiserende werking heeft, omdat we alle informatie kunnen verzamelen. Maar er is nu zoveel informatie is dat het niemand nog wat kan schelen. Er gebeuren constant de meest vreselijke dingen, maar het glijdt van ons af. Als er nu een Watergate-onthulling zou komen, zou het niet meer zo’n groot schandaal zijn. Het zou deel uitmaken van één nieuwscyclus. Vroeger zei men: kennis is macht. Maar nu realiseren we ons dat er een punt van verzadiging is. Je ziet dat veel mensen zich daartegen beginnen te verzetten.

Kunst kan helpen om die verzadiging te doorbreken, door een nieuw soort informatie in een nieuw soort taal te presenteren. In mijn poëzie speelde ik met woorden, en nu ik me aan proza waag, probeer ik dat spel voort te zetten. Romans hebben nog altijd een revolutionaire potentie, omdat je door middel van een verhaal iemands hele denken overhoop kunt gooien.”

Illustratie: Floris Solleveld

“Mijn leven zou een stuk gemakkelijker zijn als ik mijn geest nu en dan het zwijgen zou kunnen opleggen. Het is bovendien goed om in te zien dat sommige hersenactiviteit pure verspilling of zelfkwelling is en knap als je dat los kunt laten. Maar er schuilt ook een gevaar in. Ik ben opgegroeid in een cultuur waarbinnen domheid vereerd wordt. Het presidentschap van George W. Bush draaide daar voor een groot deel om. Nog steeds gelooft een enorm deel van de Amerikaanse bevolking dat er massavernietigingswapens in Irak waren. Sarah Palin en Rick Santorum zijn nu voorbeelden van die trots op onwetendheid: ik wil niets leren, elke vorm van onderwijs is elitair, denken is een vorm van zwakte. Yogacultuur heeft zijn waarde, maar je moet oppassen dat je niet naar domheid afglijdt, als je je geest tot rust maant. Er zit een anti-intellectueel randje aan. Kunstenaars mogen zich nooit van de wereld afsluiten omdat de heersende mentaliteit ze niet bevalt.”

Zijn we te afhankelijk van taal voor onze identiteit?

“Ik weet niet wat het alternatief is. Er bestaat geen persoonlijkheid voordat er woorden zijn, het ligt niet ergens klaar om ontdekt te worden. Het gaat erom hoe jij de taal spreekt, maar ook om hoe de taal jou spreekt. In mijn boek probeert Adam zich te presenteren in een taal die hij niet goed beheerst, en dat is grappig. Maar eigenlijk werkt het ook zo in zijn moedertaal. Ik moet vaak denken aan die scène in Annie Hall, waarin Woody Allen en Diane Keaton een ongemakkelijk gesprek voeren en je in de ondertiteling ziet wat ze eigenlijk willen zeggen. Je zegt altijd te weinig en te veel, je zegt altijd dingen waarvan je niet weet dat je ze zegt, je probeert altijd vat te krijgen op hoe andere mensen jou begrijpen en daar zul je altijd in falen. Dat is komisch en tragisch, maar het zegt ook iets over ons mens-zijn: identiteit bestaat alleen in relatie tot anderen. Zelfs op je meest persoonlijke moment gaat het erom hoe jij je door dit gedeelde veld van taal beweegt. Als je taal verandert, verander je een identiteit, en als je een identiteit verandert, verandert alles.

Voor mij is taal altijd immens belangrijk geweest. De dingen die mij het gelukkigst maakten of juist uit het veld sloegen, draaiden altijd om woorden. Een vriend van mij zegt altijd tegen me: je denk te veel na, je gebruikt te veel woorden, je moet meer leven. Maar ik weet niet eens wat dat betekent. Voor mij bestaat er geen leven buiten taal.”

Adam Gordon probeert in het Spaans, zijn nieuwe taal, zichzelf opnieuw uit te vinden en te presenteren. We worden steeds vaker aangemoedigd om onze identiteit zelf vorm te geven, bijvoorbeeld op Facebook.

“Het idee van jezelf opnieuw uitvinden kent een grote traditie in de Verenigde Staten. The American Dream draait volledig om dit idee: de kans op een nieuw leven. Veel van onze beste romans gaan daarover, vaak op een rampzalige manier. Denk aan The Great Gatsbsy, waarin Gatsby volledig opgaat in zijn eigen mythe. Maar het probleem met jezelf heruitvinden is dus dat het vaak mislukt. Adam probeert zichzelf met verzinsels een nieuw leven te schenken, maar hij kan nooit aan zijn gedachtes ontsnappen.

Identiteit is altijd een constructie. Maar dat betekent niet dat het makkelijk is om dat te veranderen. Als je een radicaal andere identiteit zou willen, zou je allerlei maatschappelijke structuren moeten veranderen die onze identiteit bepalen. Je zou de wereld moeten veranderen om zelf te kunnen veranderen. Het is dus veel minder gemakkelijk dan Facebook en andere sociale media doen lijken. Je kunt je Facebook-profiel helemaal aanpassen, maar je blijft dezelfde luie en oninteressante persoon. Het is geen echte metamorfose, maar een schijnoplossing voor wie jij bent en wilt zijn. Deze websites geven je valse vluchtroutes, die eigenlijk heel behoudend zijn.”

In Leaving the Atocha Station komt een chatgesprek voor, dat in zekere zin de kern van het boek is. Adams vriend Cyrus en diens vriendin waren getuige van een verdrinkingsongeluk en Cyrus vertelt dat zijn vriendin blij was met deze ‘echte ervaring’. Er is veel sprake van apathie en tegelijk een teveel aan gevoelens in het boek. Is deze combinatie van afgestomptheid en hysterie typisch voor onze tijd?

“Ik weet niet of ik het antwoord heb op die belangrijke vraag. Maar het lijkt er wel op of veel mensen in onze wereld alleen maar op een van die twee manieren functioneren. Alsof dat de enige twee opties zijn. Het heeft weer te maken met het bombardement aan informatie, waar je je voor afsluit, tot je een extreem soort breekpunt bereikt. Je ziet het zelfs in winkels: aan de ene kant is het er doodsaai, aan de andere kant is het zo overweldigend dat het je bijna tot waanzin drijft. Het is een kapitalistisch soort hysterie. Je wordt afgestompt, en de extreme emoties worden geclaimd door spektakel, door reality tv, waarin altijd wel iemand flipt. Die grote gevoelens die tot een revolutie zouden kunnen leiden, worden op die manier onschadelijk gemaakt. Ze lijken niet eens echt. Mensen die vechten of huilen lijken te acteren, waardoor die gevoelens waardeloos worden. En nogmaals, fictie kan ons helpen om die mechaniek te doorbreken.”

Je citeerde ergens de dichter Wallace Stevens, die zei: “The imagination is always at the end of an era.” Je bent zelf zowel sceptisch als idealistisch over de rol van kunst.

“Ik ben sceptisch over kunstwerken, maar idealistisch over de mogelijkheid van kunst an sich. Kunst is een manier om je iets voorbij deze wereld voor te stellen, maar kan nooit volledig in die nieuwe wereld bestaan. Het is daardoor altijd imperfect. Maar het is een mooi soort imperfectie, omdat je weet waar het naar streeft, en sommige voorbeelden komen zelfs heel dicht in de buurt.”

Zoek je zelf bewust die grenzen op?

“Het falen moet een onderdeel van mijn kunst zijn. Kunst faalt met een sprankje hoop op iets hogers. Ik wil geen boek schrijven wat ik kan schrijven, ik moet altijd beginnen met een onhaalbare ambitie. Veel van mijn ideeën mislukken, en soms kies ik ervoor om die mislukking – en misschien zelfs mijn teleurstelling daarover – met de lezer te delen. Zoals in The Golden Vanity wanneer de auteur in de war raakt tussen het gebruik van de tegenwoordige of verleden tijd, of in Leaving The Atocha Station wanneer Adam gefrustreerd is over de onmogelijkheid om ervaring oprecht naar tekst te vertalen. Veel kunst is op zijn best als het mislukt: een zanger wiens stem breekt door emoties, een gedicht dat stil valt omdat het niet in woorden kan uitdrukken wat het wil zeggen, een onvoltooid schilderij van Cézanne. Ik wil streven naar meer en dan falen, en dat mijn mislukking een metafoor wordt voor datgene wat ik niet kon bereiken.”

Hoe kan fictie ons helpen in tijden van crisis?

“Het belang van romans is groter dan ooit. Onze politieke en economische realiteit is niets dan fictie. Wanneer we omringd zijn door verzinsels, kan een roman ons met een slimmer verzinsel de ogen openen en zo paradoxaal genoeg de realiteit aan ons tonen.

Het is niet genoeg om te zeggen: ik voel me niet thuis in deze wereld. Het vraagt om een reactie. Academische zelfkritiek en grote wereldkennis worden vaak misbruikt als excuus om niet volwassen te worden. Dat is het probleem met de postmoderne ironie: we weten alles over de misstanden in de wereld, maar relativeren voortdurend onze relaties, onze kunst, onze kracht kapot. Het mooie aan Adam is dat hij zo ironisch en relativerend is, dat hij daarmee toch een soort authenticiteit bereikt. Uiteindelijk kan hij zich niet meer verschuilen achter zijn zelfbewustzijn en moet hij misschien wel accepteren dat hij een echte dichter is, en geen bedrieger.”

(Verschenen in NRC Handelsblad, 2013)