Interview: Jennifer Egan

Jennifer Egan (1962) groeide op in Chicago, als enig kind van ouders die al snel uit elkaar gingen. Ze verhuisde op haar zevende naar San Francisco en wilde eerst chirurg worden, later archeoloog. Ze wilde snijden of graven, alles om onder het oppervlak te komen, zoals ze in een verhaal in The New Yorker beschrijft. Nadat ze aan de universiteit van Pennsylvania was afgestudeerd, trok Egan naar New York om schrijver te worden. Dit was een moeilijke tijd, waarin ze worstelde met haar inkomen en schrijfambities (mooi beschreven in een interview op het blog The Days Of Yore). Pas in 1996 werd voor het eerst iets van haar uitgegeven, de verhalenbundel Emerald City. Met de daaropvolgende drie romans vergrootte haar bekendheid gestaag, maar volgens Egan kreeg ze altijd ‘gemengde recensies, op z’n best’.

Met het vorig jaar verschenen A Visit From The Goon Squad beleefde Jennifer Egan op 49-jarige leeftijd haar grote doorbraak. Het boek won onder andere de Pulitzer Prize en werd bejubeld door pers en publiek. In dertien hoofdstukken reist Egan aan de hand van vele verschillende, los met elkaar verbonden personages door de tijd. De platenbaas Bennie Salazar en zijn assistente Sasha zijn de hoofdpersonen in dit verhaal, dat eindigt in de toekomst, waar mensen communiceren in een soort sms-taal en een meisje haar dagboek bijhoudt in PowerPoint.

Jennifer Egan blijkt in persoon een oud meisje te zijn, dat graag praat, maar ook goed luistert, en vaak om haar eigen stommiteiten lacht.
———
Als je naar je naar je gehele oeuvre kijkt, heb je dan het gevoel dat je meer controle over je kunst hebt gekregen?
Ik doe steeds iets nieuws en daardoor kan ik de lessen die ik leer niet altijd goed gebruiken voor het nieuwe boek. Ik heb nooit het gevoel dat ik weet wat ik doe, blijkbaar vind ik dat een fijne manier van werken. Maar als dingen slecht zijn, weet ik inmiddels wel dat ik ze beter kan maken. Vroeger kon ik echt wanhopen, nu ben ik meer bezig met het oplossen van problemen en is het niet het einde van de wereld. Toen ik jonger was, werd alles al snel een crisis. Ik weet niet hoe ik het voor elkaar heb gekregen om voor mijn veertigste geen hartaanval of beroerte te krijgen. Ik leek geen drama queen, maar inwendig voelde het regelmatig alsof mijn leven ten einde was [lacht]. Hoe kan ik ooit zo geleefd hebben? Nu denk ik: vervelende dingen gebeuren, maar je komt er doorheen.

Denk je nog wel eens terug aan die onzekere tijd?
Ik had laatst een voorleessessie met Jeffrey Eugenidis bij het culturele instituut 92nd Street Y in New York en toen dacht ik wel aan die jaren dat ik daar zelf met open mond binnenliep en mijn idolen op het podium bewonderde. New York is uiteindelijk een heel kleine stad, waarbij je voortdurend in je eigen voetsporen loopt. Ik herleef daardoor voortdurend momenten uit het verleden. Het is een dankbaar gevoel om me te realiseren dat een paar van mijn wilde dromen uitgekomen zijn.

Dat doet me denken aan het einde van A Visit From The Goon Squad, waarbij er een nieuw jong meisje in Sasha’s oude appartement woont en de cyclus opnieuw lijkt te beginnen.
Dat hield me destijds heel erg bezig, en eigenlijk nog steeds. Ik ben constant bewust van het verstrijken van de tijd, tot op het vermoeiende af, maar ik weet niet hoe ik moet stoppen. Het krijgen van kinderen maakt het alleen maar erger. Je loopt met ze door het park en dan zie je een peuter rondstappen en denk je: huh? Hoe oud zijn mijn kinderen opeens?

Wat zou je nu zeggen tegen die worstelende jonge Jennifer?
Ik weet niet of ik gestopt ben met worstelen. Ik bedoel, nu moet ik aan een roman beginnen terwijl iedereen opeens denkt dat ik geweldig ben. Als ik daaraan denk, breekt het zweet me ook uit: wat ga ik in godsnaam doen? [lacht] Het is echt niet opeens allemaal probleemloos. Als je iets serieus wilt doen, zul je ermee worstelen.

Maar het vreemde aan die tijd is dat ik er zeker van was dat er niets zou veranderen, terwijl dat toch het enige is waar je zeker van kunt zijn. Ik dacht: ik ben een loser, en dat is dat. Literaire journalisten kiezen graag hun favoriete jonge schrijvers. Sommige maken die belofte waar, anderen niet. Maar ik was nooit een van die uitverkorenen, verscheen nooit op enige radar. Ik was wel in de buurt, aan het werk, maar op geen enkele manier opgemerkt. Ik dacht dat dat het lot was. Voor mij was dat een teken uit de toekomst, in plaats van een omstandigheid van het heden. Nu snap ik beter dat alles morgen weer anders kan zijn. Dat is een manier van denken die ik mijn oude zelf graag had gegund. Het had me een hoop lijden bespaard.

Wat is nu je werkroutine?
Ik schrijf fictie met de hand. Ten eerste omdat het goed voelt om eens niet van een machine afhankelijk te zijn. Maar daarnaast merk ik ook dat het een ander, meer associatief deel van mijn hersenen aanspreekt. Op een computer schrijf ik heel bewust, ik plan en ik schrap en ik lees veel terug. Dat is heel geschikt voor mijn journalistieke werk, maar als ik met de hand schrijf, is het veel meditatiever. Dan schrijf ik dingen die ik anders niet had kunnen bedenken. Wat ik me bewust kan bedenken, weet ik al. Ik moet iets schrijven wat ik nog nergens gelezen heb, wat ik nog niet weet. Met dat verrassende materiaal ga ik vervolgens heel analytisch aan de slag, maar om het te creëren heb ik iets anders nodig. Met perfectionisme krijg je geen goed materiaal, dat haal je allemaal uit je intuïtie.

Je schrijft dus in een soort trance?
Ik stort het eruit zonder te veel terug te lezen, want dan ben ik alweer aan het schaven en aan het nadenken. Ik moet vooruitdenken, niet terugdenken. Er komen dan interessante dingen uit, maar ze zijn nog heel erg rauw. Het zijn impulsen, sterke beelden, vreemde wendingen. Vaak verbaast ik mijzelf met wat er uit komt. Ik ben dan een echte lezer van wat ik zelf heb geschreven.

Toen ik met A Visit From The Goon Squad begon, wist ik alleen dat een vrouw een portemonnee zou stelen. Ik wist niet waarom, ik wist niet hoe, maar het moest gebeuren. Toen kwamen tijdens het schrijven de beelden van de psychiater, de date, haar appartement. Dat had ik allemaal niet verwacht.

Een ander voorbeeld is het PowerPoint-deel van het boek. Ik had het idee om daar iets mee te doen, en koppelde het direct aan iemand uit het bedrijfsleven. Maar dat was te logisch en werkte totaal niet. Ik besloot het idee op te geven en in de eerste versie van het boek was het afwezig. Totdat ik met een ander probleem bezig was, namelijk dat we Sasha niet in de toekomst zien en Bennie wel. Toen bedacht ik opeens dat haar dochter een dagboek in PowerPoint moest schrijven. Dat was echt een eureka-moment. Toen ik erover nadacht, realiseerde ik me dat het zo goed klopte omdat kinderen heel ver van iets als bedrijfscultuur af staan. Maar die verbinding had ik nooit rationeel kunnen maken.

Is het niet lastig om het niet terug te lezen?
Mijn handschrift is heel erg moeilijk te lezen, dat helpt. Soms kom ik er helemaal niet achter wat er staat. Ik stuit later vaak op onleesbare woorden en denk dan: oké, laten we maar weer een ander woord gebruiken. Natuurlijk worden juist die niet te ontcijferen woorden enorm belangrijk, essentieel voor het verhaal. Dan verval ik in een handschriftanalyse van mezelf: is dit een F? En dan kijk ik op een ander blaadje en denk ik: nee, de F schrijf ik echt anders. Een B dan? [lacht]

Wat fascineert je aan mensen?
Dat is door de jaren heen veranderd. Toen ik nog jonger was, vond ik alles wat mensen vertelden enorm interessant. Ik vond het geweldig om mensen aan het praten te krijgen – wat over het algemeen niet zo moeilijk is. Nu ben ik kritischer. Mensen herhalen zichzelf en praten elkaar na. De meesten zijn behoorlijk saai. Bovendien kun je de verhalen die ze over zichzelf vertellen vaak niet letterlijk nemen, omdat er zoveel achter zit. Ze willen dat je allerlei dingen over ze gelooft, en vroeger deed ik dat ook. Ik dacht: ze leren me iets. Nu ben ik meer geïnteresseerd in die gedachtepatronen, waarom een bepaald persoon een bepaald verhaal vertelt. Dat zal hij je niet zelf onthullen. In zekere zin heeft hij daar ook geen toegang toe. Als ik nu met iemand praat, luister ik niet naar het verhaal in kwestie, maar naar kleine hints van dat echte verhaal. Ik luister naar het metaverhaal: ik ben de held. Of: mijn leven is zo zwaar.

Het klinkt alsof je voyeuristische trekjes hebt.
Oh ja, zeker. Als ik iets zou kunnen wensen, zou ik niet willen vliegen of tijdreizen, maar onzichtbaar willen zijn. Dan zou je echt alles kunnen weten, denk ik. Ik wil zien hoe de wereld is als ik even niet mee doe. Ik weet nog dat ik als klein meisje in Chicago met mijn moeder over straat liep, de verlichte ramen van al die enorme appartementen zag en dacht: ‘Ik wil daar naar binnen. Wat gebeurt daar? Ik wil die man volgen en met hem mee gaan om te zien hoe zijn appartement er uit ziet.’ Misschien kunnen we de wereld verdelen in exhibitionisten en voyeuristen. Ik behoor zeker tot de laatste categorie.

Toch lijk je geen verlegen persoon.
Ik probeer de situatie altijd zo min mogelijk te beïnvloeden. Een verlegen persoon houdt zich volledig afzijdig. Ik wil wel meedoen, maar als participerende toeschouwer. Ik zal alles doen om het in beweging te houden.

In A Visit From The Goon Squad kruip je voortdurend in de huid van andere mensen.
Het lukte me niet altijd. In sommige hoofdstukken kon ik de juiste toon niet vinden en moest ik het na een tijdje opgeven. Naarmate het boek vorderde, werd het ook zwaarder omdat ik minder opties had. Ik voelde me soms als de persoon die een vloer heeft geverfd en vast zit in een hoek. Maar in mijn geval was het geen verf, ik was ingesloten door personages. Soms gebruikte ik trucs. Normaal luister ik niet naar muziek als ik schrijf, maar nu probeerde ik om bij de overgang tussen hoofdstukken van muziek te veranderen. Of ik schreef buiten, in cafés. Alles om het anders te laten voelen als ik aan een nieuw hoofdstuk begon.

Het past wel goed bij het mediatijdperk, waarin schakelen een grote rol speelt.
[fel:] Ik verander graag van perspectief en werkwijze, maar kan me heel goed concentreren. Misschien dat ik met deze voortdurende wisseling van personages en perspectief onbewust heb ingespeeld op de behoefte van de moderne lezer. Maar als je boeken wilt schrijven, kun je niet snel afgeleid zijn. Je moet heel precies en bijna koppig zijn. Mensen die zich laten afleiden door het internet en gadgets zullen nooit goede boeken schrijven. Of ze moeten enorme wilskracht hebben. Over het algemeen ben ik het eens met Jonathan Franzen, die zegt dat je met een internetverbinding in je kantoor nooit goede fictie kan schrijven.

Je sluit je dus aan bij de internetpessimisten?
Nee, dat is niet waar. Uiteindelijk zullen degenen die het beste met al deze afleidingen om kunnen gaan, het meest productief zijn en de touwtjes in handen krijgen. Degenen die zich laten verleiden door het internet en door versnippering oppervlakkiger worden, zullen daar de gevolgen van voelen. Maar ik heb uiteindelijk veel vertrouwen in mensen, we zijn sterker dan het lijkt.

Toch klink je niet als een liefhebber van techniek.
Je moet blijven opletten dat je je niet laat domineren. Mijn man ging naar Israel in de herfst en de eerste dagen dat hij weg was, sms’te en mailde hij me zoveel dat ik het gevoel had dat we meer contact hadden dan wanneer we allebei in New York zijn. Ik dacht: ik wil voelen hoe het is dat je weg bent, maar daar krijg ik niet eens de kans voor, omdat ik al deze sms’jes aan het beantwoorden ben. Voor mij is alleen reizen ook een zeer belangrijk deel van mijn leven geweest. Op mijn achttiende reisde ik in mijn eentje door Europa, in 1986 was ik in China en de Sovjetrepubliek. Ik kon met niemand communiceren en ik vierde mijn verjaardag in mijn eentje op een Chinese hotelkamer. Dat zou nu nooit meer gebeuren. Die reizen zouden nu makkelijker zijn. Maar zou ik ze zo goed herinneren?

Ik denk daar over na, zeker ook als moeder. Ik probeer het mediagebruik van mijn zoons te beperken, zodat ze ook zien hoe het kan zijn zonder al die techniek en later nog kunnen kiezen. Toch ben ik niet blind voor de voordelen van het internet en smart phones en heb ik niets met de conservatieve paniekreacties die op elke verandering volgen. Ik ben vooral voorzichtig.

A Visit From The Goon Squad eindigt in de toekomst, als mensen beginnen te huilen bij het horen van ‘ouderwetse’ pure muziek.
Dat is niet mijn nostalgie. Ik ben geïnteresseerd in nostalgie omdat het altijd een maatstaf van verandering is. Het is een teken dat we in hoge snelheid oude gebruiken kwijtraken. De door de massamedia geregisseerde ervaring heeft een enorme behoefte aan authenticiteit teweeggebracht. Die proberen de media weer te bevredigen met reality-tv, een soort gemaakte echtheid. Volledig paradoxaal.

Is de hele wereld niet onecht geworden?
In mijn roman The Keep vroeg ik me af wat ons idee van ‘realiteit’ nog betekent. Hoe weten we nog wat echt is? Ik heb een artikel geschreven over homoseksuele jongeren die alleen online uit de kast durfden te komen. In de ‘echte’ wereld deden ze alsof ze normale jongens waren, maar online hadden ze relaties, liefdesverdriet, gingen ze vreemd, hadden ze seks. Dat was hun echte leven. Tegelijkertijd zat dat leven vol met teleurstellingen: volwassenen die zich voordoen als jongeren, mensen die andermans foto gebruiken, enzovoorts. Het was een fascinerend voorbeeld voor de vraag: wat is echt? Wat betekent het om echt te zijn? Onze levens zijn niet per se onecht, ze voldoen niet meer aan het oude idee van wat echt is.

Wat is de rol van fictie in die wereld met haar dubbelzinnige realiteit en voortdurende afleiding?
Dezelfde als altijd. Je moet een fantastisch verhaal vertellen, mensen naar een andere plek transporteren en ze juist daardoor confronteren met die vreemde moderne realiteit. Je moet vragen oproepen, waardoor mensen met een nieuw perspectief naar hun leven terugkeren. En het moet bovenal leuk zijn. We praten veel over de crisis van het boek, het weglopen van lezers. Maar fictie kan nog steeds dingen met mensen doen, die met geen enkele andere vorm mogelijk zijn. Als ik goede fictie lees, dan voel ik me verrijkt voor de rest van mijn leven. Daarom moeten schrijvers doen waar ze goed in zijn en niet zeuren over onderwaardering. Boeken moeten onweerstaanbaar zijn, zodat mensen geen andere optie meer hebben.

(Verschenen op hard//hoofd, 2012)

Essay: Misschien heb ik wel een hersentumor

1

Laatst bekende mijn vriendin me dat ze ‘leven met een hypochondrische partner’ had gegoogled, door een screenshot van deze zoekopdracht naar me te mailen. Ik moest erg hard lachen. Maar de paarsgekleurde eerste link verraadde dat ze wel al aan haar research begonnen was, en dat het dus verder ging dan een grap.

Eenmaal thuis vroeg ik er luchtig naar. De toon werd al snel serieus. ‘De afgelopen dagen heb je je zorgen gemaakt over drie mogelijke ziektes: hersenvliesontsteking, de ziekte van Lyme en een of andere zeldzame infectie door het snot van ons konijn. En dat zijn dan nog alleen de dingen die je met mij deelt.’ Ik deel in feite al mijn fysieke kwaaltjes met haar, omdat ik zeker wil weten dat ze alle informatie paraat heeft als ik plotseling omval en de ambulancebroeders geen idee hebben hoe het zo ver heeft kunnen komen. Soms krabbel ik haastig op een stuk papier: ‘Vanmiddag hoofdpijn, rechts bij mijn slaap. Beetje misselijk ook. Twee appels gegeten -> te veel?’ Een soort omgekeerd zelfmoordbriefje. Zelfs als ik bewusteloos ben, wil ik controle over de situatie houden.

‘Nou ja,’ antwoordde ik, nu enigszins defensief, ‘ik was ook echt ziek. De wond van mijn getrokken verstandskies was ontstoken geraakt, en die zit dicht bij mijn hersenen. De symptomen van hersenvliesontsteking zijn heel moeilijk te onderscheiden van gewone griep. En we waren eergisteren in het bos, dus elkaar checken op teken is gewoon gezond verstand. En wat betreft Benny,’ ik wees naar ons konijn, dat sinds drie maanden vrolijk door het huis hupst en nu met haar meest onschuldige konijnenblik naar ons opkeek, ‘ze niest af en toe en haar neusje is nat, dus dat is een heel duidelijke bron van bacteriën. Zoals de Pasteurella multocida, die vernoemd is naar Louis Pasteur en die overdraagbaar is op mensen – een zogeheten zoönose.’

Ik had tijdens slapeloze kiespijnnachten urenlang op mijn telefoon het internet afgestruind, terwijl ik het licht afschermde voor mijn slapende vriendin, op zoek naar de oorzaak van – en dus de oplossing voor –  mijn infectie. Google is mijn orakel. Mijn zoekgeschiedenis stond vol met vragen als ‘ziek door mijn huisdier?’ en ‘infectie verstandskies konijn snot?’ en de klassieker ‘symptomen hersentumor’ (al zo vaak gegoogled dat mijn browser bij het typen van de ‘s’ de woorden automatisch aanvult).

Maar ik dreef mezelf in een hoek, dat voelde ik. Dus ging ik in de tegenaanval. ‘Jij neemt mijn ziekte gewoon niet serieus genoeg,’ sprak ik als een klein kind. De ouders van mijn vriendin zijn allebei medici, die hun kinderen opvoedden onder het motto ‘dat gaat wel weer over’. Ik heb daarentegen een moeder die me zelf de term ‘lekker schoolziek’ heeft geleerd. Uiteindelijk besloot ik ons gesprek met: ‘Ik ben liever hypochonder dan dat ik doodga omdat ik te nuchter ben om hulp te zoeken.’

Illustratie: Merlijn van Bijsterveld.

2

Ik moet vaak denken aan de zin uit het Nirvana-nummer ‘Territorial pissings’: ‘Just because you’re paranoid, don’t mean they’re not after you.’ De ultieme paranoia is natuurlijk het vermoeden dat je paranoia een kern van waarheid bevat, zelfs als je hebt ingezien dat je vaak overdrijft: goed, oké, ik heb soms last van waanbeelden. Maar dít keer klopt het.

En soms klopt het ook. Het vreemde aan angst is dat dit gevoel een self-fulfilling prophecy kan zijn: de intens jaloerse man zorgt er met zijn wantrouwen voor dat hij zijn lieve vrouw in de armen van een ander drijft, stress over gezondheid is ongezond en de nieuwe symptomen die je daarvan krijgt, leveren nog meer stress op. Als je op ‘hyperventilatie’ zoekt, is het eerste wat je leest: ‘Het is NIET ernstig.’ Alsof de schrijvers van deze teksten beseffen dat je de lezer vooral moet geruststellen. De ellenlange en met uitroeptekens gevulde bijsluiters van medicijnen tegen angst en depressie zijn wat dat betreft minder tactisch: iemand die last heeft van paniekaanvallen kun je beter niet vertellen dat hij mogelijk paarse vlekken in zijn nek kan krijgen of dat uit sommige testen op dieren blijkt dat je van het medicijn onvruchtbaar kunt worden. Maar angst heeft vaak zijn oorsprong in de realiteit, zoals ik echt pijn in mijn kies had.

Paranoia ontstaat echter als je denkt dat je controle over het probleem kunt krijgen. Als het een obsessie wordt. Je brein zoekt als een bezetene alle mogelijkheden af, steeds opnieuw. Wat heb ik over het hoofd gezien? Paranoia grijpt degenen die gewend zijn om veel zaken met hun denkvermogen te beheersen. Op dat moment keert hun trouwe vriend zich tegen hen en loopt het totaal uit de hand.

3

Mijn sociale paranoia is nog heviger dan mijn hypochondrie. Eigenlijk worden alle gesprekken die ik met vrienden voer gevoed door die ene vraag: wat vind je van mij? Ik beoordeel zelf de hele dag alle mensen die ik tegenkom: aantrekkelijk, irritant, lief, vies, imponerend, sukkel. Maar ik heb nooit toegang tot wat zij van mij vinden. Dat is maar goed ook. Als ik de sociale realiteit zo direct zou kunnen ervaren, zou ik een zenuwinzinking krijgen. We hebben fantasieën, paranoia en andere dekmantels nodig om samen te kunnen leven. Toch blijf ik nieuwsgierig. En vooral bezorgd.

Dit mysterie kan ik niet oplossen met Google of een paracetamol. Ik zal moeten accepteren dat ik onwetend blijf. Maar soms kan ik me niet inhouden. Ik heb thuis altijd geleerd dat ik mijn gevoelens en zorgen zoveel mogelijk moet uitspreken. Mijn ouders hebben me alleen nooit iets verteld over paranoia. Wat als je zorgen nergens op gebaseerd zijn?

Een tijd geleden was ik op een feestje waar ik iedereen kende. Vanaf de binnenkomst was het één groot begroetingsritueel met vage kennissen, vrienden en bekenden. Het was onmogelijk om door deze sociale brij heen te komen; na een kwartier was ik maar een paar meter opgeschoten en had ik mijn jas nog steeds aan. Ik moest voortdurend expliciete en impliciete vragen beantwoorden: hoeveel zoenen geef ik haar? Waar ben ik mee bezig de laatste tijd? Hoe gaat het, man? Wat is haar naam ook alweer? De gespannen glimlach bezorgde me spierpijn in mijn kaken. Iedereen was aardig, maar het was te snel, te druk, te hard. We maakten talloze grapjes en we waren hierin zo bedreven dat sommige gesprekjes louter nog uit de flitsende uitwisseling van ironische vondsten bestonden.

Een van de meisjes reageerde echter minder enthousiast op mijn binnenkomst. Sterker nog, ze liep straal langs me. Het had nooit per se goed geklikt tussen ons, maar dit was nieuw. Ze was een collega-schrijver die veel meer succes had dan ik en ik vond het belangrijk dat ze mij aardig vond. Ik probeerde oogcontact met haar te maken voor een erkenning van elkaars aanwezigheid, wederom tevergeefs. Vreemd.

Op de fiets naar huis groef ik in mijn geheugen, op zoek naar een reden voor haar plotselinge afkeer. Al snel begon het schaarse beschikbare materiaal zich te herhalen in mijn hoofd, als een liedje waar je alleen het refrein van kent. Eenmaal thuis besloot ik dat dit niet zo kon. Ik schreef haar een e-mail. We waren toch inmiddels volwassenen, die hun ongemak gewoon konden uitspreken?

Dag Ella,
Ik ken je natuurlijk helemaal niet goed, maar was het vanavond nou heel raar tussen ons? Of was je gewoon moe en ik paranoïde?
XRutger

De volgende dag kreeg ik antwoord:

Huh geen idee? Hebben we gepraat, ohoo ik weet het niet meer, sorry: was vooral heel dronken! 😉
Had je een goede nacht?

Op sociale paranoia volgt vaak schaamte. Ik had me laten kennen. Niet vanwege mijn kwetsbaarheid, maar juist vanwege mijn arrogantie. Hoe kon ik denken dat haar gebrek aan reactie iets met mij te maken had?

F. Scott Fitzgerald schrijft in Tender is the night: ‘Most people think everybody feels about them much more violently than they actually do — they think other people’s opinions of them swing through great arcs of approval or disapproval.’ Terwijl de meeste mensen helemaal niet met jou bezig zijn. ‘Well, we never know how much space we occupy in other people’s lives,’ staat ergens anders in het boek te lezen. De personages in Fitzgeralds roman kunnen zich daar niet bij neerleggen: ze willen het denken van de ander bezitten, met fatale gevolgen.

4

‘Komt wel goed. En niet googlen hè!’ zegt mijn vriendin altijd als ik haar over een fysieke klacht vertel. Ze heeft natuurlijk gelijk. Ik verzin zo graag oplossingen dat ik verslaafd ben geraakt aan problemen. Als alles goed gaat, ben ik niet op mijn gemak en creëer ik zelf maar een probleem. Het internet is wat dat betreft het Walhalla van elke neuroot: je kunt net zo lang door zoeken tot je dood bent. Letterlijk of figuurlijk.

Ik ben in alle paranoïde hoekjes van het internet geweest. Hoewel ik nog nooit lid van een forum ben geworden, lees ik graag mee met de gesprekken tussen andere klagers. Zoals ik graag trucs afkijk van nerds op tech-fora, zo probeer ik ook mijn lichaam te repareren met de hulp van ervaringsdeskundigen. Tijdens mijn kiespijn stuitte ik bijvoorbeeld op dit advies:

In de serie Seinfeld krijgt Elaine in de aflevering ‘The Package’ (1996) van een huisarts de aantekening ‘difficult’ in haar dossier. Ze komt hier niet meer van af. Sterker nog, de nieuwe artsen krabbelen alleen maar meer mysterieuze commentaren bij haar gegevens, naarmate haar paranoia groeit. Ik ben ervan overtuigd dat ik inmiddels ook zo’n aantekening heb. Mijn vorige huisarts deed mijn klachten steevast af met: ‘Volgens mij valt het mee.’ En meestal was dat ook zo. Tot ik mijn kruisband afscheurde met voetbal en er drie maanden mee rondliep omdat hij me weigerde naar het ziekenhuis te verwijzen. Was ik het slachtoffer van zijn medische desinteresse of van mijn eigen paranoia?

De laatste keer dat ik bij mijn nieuwe huisarts was, dacht ik dat ik een hersentumor had. Ja oké, ik heb een neiging tot overdrijven. Maar dit keer was het echt zo.

In zijn hypermoderne wachtkamer wordt altijd dromerige loungemuziek afgespeeld, die je zacht in slaap soest. De banken zijn net iets te hoog, waardoor je niet met je voeten bij de grond kan en ze al snel verveeld heen en weer slingert. Het loopt elke keer een half uur uit. Op een bordje staat het spreekwoord: ‘De mens lijdt het meest, door het lijden wat hij vreest.’

De dokter hoorde mijn klachten aan: een vreemde tinteling in mijn kin, buikpijn, hoofdpijn, nachtzweten. Hij vroeg: ‘Heb je het druk?’ ‘Ja, mijn boek komt bijna uit,’ gaf ik toe. Hij leunde achterover. ‘Stress kan allerlei vreemde symptomen veroorzaken. Ik kan nu wel allerlei testjes gaan doen, maar dan maak je je alleen maar meer zorgen. Laten we dus maar even afwachten.’ Ik knikte aarzelend. We schudden elkaar de hand. Vlak voor ik naar buiten ging, draaide ik me om en zei: ‘Weet u zeker dat het geen hersentumor is? Ik las een paper over het numb chin syndrome in Annals of oncology…’ Hij zuchtte, keek me hoofdschuddend aan en sprak op zakelijke toon: ‘Nee.’

5

Mijn sociale paranoia is nauw verbonden met mijn angstaanjagende bewijsdrang. Ik ben vaak bang dat iemand mij niet mag omdat dat mijn succes in de weg kan staan. ’s Nachts trekken ze aan mijn ogen voorbij: die ene recensent die ik ooit een beetje beledigd heb, of de uitgever die waarschijnlijk vindt dat ik een irritante kop heb. Dus toen een collega mij laatst vertelde dat hij gehoord had dat de hoofdredacteur van een vooraanstaand medium mij ‘gewoon een eikel vindt’, werd ik direct gegrepen door een diepe angst voor afwijzing.

Het klopte ook wel. Hij (de hoofdredacteur) had mij nóóit gevraagd om iets voor hem te schrijven, terwijl we toch eerder hadden samengewerkt en we ons in dezelfde kringen bewogen. De samenwerking was niet altijd soepel verlopen dankzij mijn gebrekkige communicatie, en onze ego’s waren wel eens gebotst. Toch wist ik na deze ontdekking mijn kalmte enigszins te bewaren: ik moest niet afgaan op roddels. Het zou wel meevallen, zoals altijd.

Ik besloot de hoofdredacteur een luchtig whatsappje te sturen.

He Bart, zullen we een dezer dagen een tosti eten of een biertje drinken?

De blauwe vinkjes kwelden me. Hij antwoordde niet. Een dag. Drie dagen. Een week. Ik stuurde nog een bericht, waarin ik weer heel relaxed probeerde over te komen.

He man, je hebt het waarschijnlijk druk. Het lijkt mij nog steeds gezellig. Laat maar weten!

Niets. Nu wist ik het zeker. Hij vond me een eikel. Natuurlijk. Alles viel op z’n plek. Ik moest het goedmaken. De schade herstellen. Ik besloot hem te bellen, een reuzenstap. Hij nam niet op. Ik gaf hem een dag de kans om terug te bellen; de maximale terugbeltermijn. Stilte. Ik wierp al mijn trots af en belde weer. Ik sprak zijn voicemail in (‘Is je Whatsapp stuk? Haha.’). En nog een keer.

Uiteindelijk stuurde ik de volgende e-mail naar mijn nieuwe aartsvijand:

Dag Bart,

Een paar weken geleden zei een collega tegen mij: ‘Bart en jij mogen elkaar gewoon niet.’ Huh? Ik dacht: ik ga even met Bart wat drinken om dit eens te bespreken. Maar nu je niet antwoordt op mijn pogingen tot contact, begin ik me toch een beetje zorgen te maken.

Ik weet ook wel dat dingen tussen ons niet altijd even soepel zijn verlopen. De mislukte samenwerking in 2011, mijn irritatie over sommige redacteuren onder jouw leiding, mijn voorzichtige kritiek, enz.

Maar ik heb jou vanaf het moment dat ik je eerste stukje las altijd bewonderd. Naarmate ik zelf meer schrijfervaring kreeg, nam die eerste euforie wat af en hoopte ik om op meer gelijke voet te komen te staan. Ik wilde graag een complimentje van de meester, zeker toen ik meer mijn eigen stem vond. Misschien dat ik daarom soms wat nukkig reageerde, daar zat een tikkeltje rancune van mijn kant bij. Misschien is er inmiddels een verschil van stijl ontstaan, maar ik vind het nog steeds zeer te prijzen wat je bereikt hebt.

Mensen die mooie dingen proberen te maken, hebben dezelfde doelen en moeten boven kleine irritaties staan. Als die er al bij jou zijn, want dat weet ik dus nog steeds niet. Ik hoop in elk geval dat we het binnenkort over andere dingen kunnen hebben.

Hartelijke groet,

Rutger

Vier dagen later kreeg ik antwoord. Toen ik het las in de rij voor de supermarkt voelde ik me misselijk van schaamte.

Beste Rutger,

wees gerust: ik heb het simpelweg razenddruk, zelfs mijn moeder kan mij nooit bereiken.

Verder komt dit mailtje voor mij behoorlijk uit de lucht vallen. Ja, wij hebben inderdaad stroeve ervaringen gehad, maar dat is voor mij wel lang geleden hoor. Het is niet zo dat ik daar nu nog mee rondloop. Dus maak je daar vooral geen zorgen over.

Groet!
Bart

Het was alsof ik geconfronteerd werd met wandaden tijdens een dronken bui. Ik las mijn eigen mail terug en begreep niet hoe ik me zo had kunnen laten gaan. Maar ik was niet dronken geweest van alcohol. Ik was dronken van paranoia.

Toen ik dit aan mijn vriendin vertelde, schudde ze haar hoofd. Ik kon al snel lachen om mijn eigen idiotie. Toch laat ik me elke keer weer meeslepen, omdat mijn zorgen dan zo realistisch aanvoelen. Misschien komt er een dag dat ik kan accepteren dat ik niet over alles controle kan hebben, dat ik mijn eigen zwakheden en de oordelen van anderen soms niet kan veranderen.

Maar het is waarschijnlijker dat ik op een dag thuiskom en mijn vriendin in bed aantref met een andere man, zo’n heel relaxte gast die zich nooit ergens zorgen om maakt. Ik zie het zo voor me.

Commentaar: Seizoen 5 van Louie

In het eerste seizoen van Louie wordt de hoofdpersoon (Louis CK) verliefd op zijn beste vriendin, de grofgebekte Pamela (Pamela Adlon). Telkens als hij zijn gevoelens probeert te uiten, lacht ze hem uit. In de laatste aflevering vertrekt ze naar Barcelona en op het vliegveld kijkt hij haar treurig na. Zij draait zich om, ziet haar passieve, ongemakkelijke vriend staan en roept: “Wave to me, dummy! Wave to me!” Louie verstaat het echter verkeerd en denkt dat ze “Wait for me” zegt. Hij roept dus enthousiast terug: “I’ll wait for you! Yes! I’ll wait for you!” en vertrekt met een grote glimlach op zijn gezicht. Dit soort ongemakkelijke, tragikomische miscommunicaties is Louie op zijn best.

Toen stand-up comedian Louis CK in 2009 door omroep FX benaderd werd, verkeerde hij in een luxepositie. Hij was 42 en zijn carrière had een onverwachtse, late vlucht genomen dankzij zijn ongekend eerlijke stand-up-shows. Hij had echter ook al heel wat teleurstellingen te verduren gehad: een afwijzing door Saturday Night Live, de door hem geregisseerde film Pootie Tang (2001) waarbij hij tijdens de montage ontslagen werd en zijn eigen sitcom Lucky Louie (2006) die na één seizoen door HBO van de buis werd gehaald. Louis CK had, kortom, niets te verliezen. Hij zei tegen FX: ik wil het best doen, maar dan wil ik onbeperkte artistieke vrijheid. De opdrachtgevers zouden het resultaat pas zien als het werd uitgezonden. FX stelde een minimaal budget beschikbaar (zo’n 300.000 dollar per aflevering) en stemde in. Zo ontstond een unieke situatie, die sindsdien is bekend komen te staan als de ‘Louis CK-deal’.

Daarom waren de eerste seizoenen van Louie zo opwindend. Louis CK creëerde een parallelle wereld waar alles nét een beetje anders was, zoals gesymboliseerd wordt door zijn voornaam in de serie. De basis was hetzelfde: hij speelt een gescheiden comedian die twee dochters opvoedt. Op dat thema improviseerde Louis CK (schrijver, regisseur, hoofdrolspeler en editor van de serie) als een virtuoze jazzmuzikant. Louie was een explosie van jarenlang opgeslagen ideeën, die eindelijk hun weg naar buiten vonden. In de eerste aflevering stapt een meisje aan het eind van een rampzalige date in een helikopter, die wegvliegt over de Hudsonrivier van New York, terwijl Louie haar treurig nakijkt: een absurd en tegelijk al te herkenbaar beeld. Hoewel Louie dankzij het gebrek aan regels of verhaallijn en de bij vlagen taboedoorbrekende thema’s geen makkelijke show was, won het vele prijzen (twee Emmy’s en vier Television Critics Awards) en werd het door recensenten de hemel in geprezen. Salon noemde het “the most reliably unpredictable show on television”.

Het is niet verrassend dat Louis CK veelvuldig met Woody Allen werd vergeleken; later werd hij dan ook door de oude meester gecast in Blue Jasmine (2013). Maar Louie was ook schatplichtig aan Seinfeld (1989-1998), de eerste televisieserie die het dagelijks leven van een comedian probeerde vast te leggen (Jerry Seinfeld speelt ook zo nu en dan in Louie). Seinfeld kreeg de misleidende bijnaam “a show about nothing”, terwijl het juist over kleine, onuitgesproken, maar oh zo belangrijke sociale regels ging. Hetzelfde geldt voor Louie: vanuit de stilstand, het anti-drama, kan de comedian onderschatte thema’s onderzoeken. Zoals de aflevering waarin Louie bevriend raakt met een knappe life guard in Miami, maar het vanwege machonormen niet lukt om uit te spreken hoezeer hij die jongen mag. Louie is duisterder en grover dan de redelijk nette sitcom Seinfeld. Je merkt dat Louis CK graag Russische literatuur las als tiener, waarbij hij de ramen openzette omdat hij het net zo koud wilde hebben als Dostojevski of Gogol.

Het probleem met elke poging tot realisme in film of op televisie is dat een artistiek medium wel moet verheffen: als het plot herkenbaar is, gaan we erin mee, maar als exact gelijk is aan ons eigen leven en ons in feite niets leert, kunnen we net zo goed niet kijken. In het begin waren de meeste afleveringen van Louie twee op zichzelf staande korte tragikomische films, versneden met zijn stand-up-act en vol absurde details, maar die stoet van losse ideeën kon niet eeuwig doorgaan. In seizoen drie (het hoogtepunt van de serie wat mij betreft) probeerde CK daarom de verlangens en de ontwikkeling van zijn alter ego iets uit te breiden, met een zoektocht naar een moeder voor zijn dochters (‘Daddy’s Girlfriend’, met de mysterieuze, excentrieke Posey Parker) en zijn poging om de vervanger van David Letterman te worden (‘Late Night’, met een hilarische bijrol voor David Lynch).

In seizoen vier voerde CK dit verder door: verhaallijnen werden over drie of zelfs zes afleveringen uitgesponnen (zoals ‘Elevator’, over de non-verbale liefde tussen Louie en de Hongaarse Amia, of de flashback ‘In the woods’, over zijn drugsgebruik als tiener). Deze arthouse-achtige plots leverden nog steeds mooie momenten op, maar voor het eerst was er ook sprake van verveling en bekroop mij het gevoel dat Louis CK te veel vrijheid nam. Aan het einde van het seizoen was er zelfs sprake van een happy ending: Pamela keerde daadwerkelijk terug, nu wel bereid tot een poging met Louie. Het leidde tot grappige scènes, zoals het moment dat Louie haar dwingt om intimiteit toe te laten en zij roept: “This would be rape if you weren’t so stupid!” Toch stelde deze twist mij teleur. Niet vanwege de rauwe en ongemakkelijke romantiek, maar omdat het voelde als een kunstgreep. Pamela verscheen letterlijk uit het niets ten tonele en dat voelde, anders dan de helikoptervlucht van Louie’s eerste date, onrealistisch.

In het huidige seizoen greep Louis CK terug naar de kortere aandachtspanne van de eerste seizoenen, wat een paar van de beste afleveringen van de serie opleverde. Met name ‘Bobby’s House’ was een hoogtepunt: nadat Louie in elkaar geslagen wordt door een meisje, vraagt hij Pamela om hem op te maken om zijn wonden te maskeren. Ze overtuigt hem ervan om een vrouw van hem te maken en seks te hebben in een absurd rollenspel, waarbij zij hem overmeestert op ‘mannelijke’ wijze. Eigenlijk ligt deze a-traditionele rolverdeling niet zo ver van de waarheid: Louie is nog steeds overgevoelig en Pamela wil liever een open relatie. Na afloop van de seks beëindigt ze hun gedoemde affaire dan ook, waarop hij in tranen uitbarst en zijn mascara uitloopt.

Zodoende blijft Louie weer vastzitten, wat steeds meer begint te irriteren. Louis CK hanteert tijdens het schrijven de regel dat hij nooit de winnaar mag zijn. Zelfs als hij een prachtig betoog voor het leven houdt tegen een comedy-vriend die zelfmoord wil plegen, lacht zijn tegenspeler hem uit: “Kijk jou nou, met je mooie speech. Maar dit is niet jouw moment, Louie.” Dit zien we heel vaak terug in de serie: Louie die op zijn nummer wordt gezet, zelfs als hij gelijk heeft. In seizoen vier kreeg hij acht minuten lang op zijn kop van een leuk, maar dik meisje dat niet begreep waarom mannen zo bang zijn om iets met haar te beginnen (de veelgeprezen aflevering ‘So did the fat lady’). Dit seizoen zijn het vooral jongeren die Louie de les lezen: zijn dochter Lilly, die tot zijn verbazing tegelijk kan googlen en van een toneelstuk kan genieten, de bazin van een kookwinkel die hem erop wijst dat hij arrogant is vanwege zijn leeftijd. Ook dit trucje frustreert soms. Natuurlijk zijn we vaak hypocriet of voelen we ons moreel superieur. Maar ik wil dat Louie eens wint, dat hij vooruitkomt.

Louis CK heeft zijn personage heel bewust minder succesvol gemaakt dan hijzelf. Begin dit jaar stuurde hij een e-mail aan zijn fans (met de typische titel ‘Very long e-mail from Louis CK’), waarin hij zijn lange weg als stand-up comedian beschreef. Hij romantiseerde de moeilijke momenten en zei dat hij die nog steeds opzoekt: “After thirty years of doing comedy, the most exciting feeling for me is going on stage, not entirely sure it’s going to go well. To this day, when I work at the Comedy Store [de intimiderende club in Los Angeles waar hij zijn laatste comedyshow opnam], I feel there’s a one in three chance I might bomb. Like bomb hard. To a guy my age who has been doing it this long, that is exciting.”

Seizoen vijf van Louie zou over dat deel van zijn leven gaan. Maar pas in de voorlaatste aflevering (The Road Part 1), zagen we hoe hij in een smerig motel in Cincinnati moet overnachten en in ongemakkelijke situaties terechtkomt. Het was grappig en licht deprimerend, maar kwam mij ook al te bekend voor. Er werd weinig nieuws gezegd over onze Louie en er werden geen inhoudelijke grenzen verlegd. Het voelde bijna veilig.

Louis CK zit in een lastig parket, nu zijn serie steeds meer gegroeid is en het risico van herhaling groter wordt. Hij lijkt het beste te zijn in het schrijven van kleine moment-scènes of afleveringen die één thema verkennen en het dan weer loslaten. De langere spanningsbogen zijn minder zijn ding, vooral omdat hij die uiteindelijk ook laat doodlopen. Tegelijk wil hij zichzelf blijven uitdagen, wat dit seizoen resulteerde in het totaal losgeslagen, horrorachtige ‘Untitled’, over een serie nachtmerries waardoor Louie niet meer het onderscheid tussen slapen en waken kan maken. Een experiment dat wat mij betreft niet helemaal slaagde, maar waarbij je in elk geval weer even de urgentie van de eerste seizoenen voelde. Alsof er iets op het spel stond, zoals op het podium van The Comedy Store.

Louis CK heeft zijn eigen lat zeer hoog gelegd. Een mindere aflevering van Louie is nog steeds slimmer, grappiger en ontroerender dan het meeste wat je op televisie ziet, met acteurs die zonder uitzondering in topvorm zijn. Er zit altijd een detail in dat je brein kietelt, zoals de namen van vriendinnetjes van dochter Jane in de aflevering ‘Sleepover’: Afghanistan en Tranquility. “It’s Tranquili-TAY, daddy.” Ja, ik houd nog steeds zielsveel van Louie. Maar ik ben ook benieuwd hoe ver Louis CK zijn concept nog kan rekken.

Column: De test

Op weg naar de wc kwam ik mijn vriendin tegen. Ze stond op de trap in haar badjas, hoewel het toch een doordeweekse middag was. “Ga je nú naar de wc?” vroeg ze ongelovig. Ik werd onmiddellijk overvallen door een onbestemd schuldgevoel en ging pijlsnel na wat er fout kon zijn aan dit voornemen. Moest zij eerst naar de wc? Had ze de wc net schoongemaakt? Of juist bevuild? Had ikzelf beloofd om de wc schoon te maken? Hadden we überhaupt wel een wc? Of natuurlijk, die badjas: ze probeerde me te verleiden tot wat afternoon delight en ik, simpele sukkel, had dat weer eens niet door.

Toen zag ik het staafje in haar hand. De tranen in haar ogen. Shit, dat was waar ook. De test. Mijn vriendin keek me aan en zei: “We zijn zwanger.”

Ik had me dit moment al vaak voorgesteld. Meestal moest ik ook huilen en omhelsden we elkaar innig. Mijn verwachting was, zoals bij zoveel mijlpalen die ik nog moest meemaken, volledig gebaseerd op wat ik in Amerikaanse films en televisieseries had gezien. Maar in dat soort scènes komt de vrouw altijd van de wc, nu ging de man naar de wc. En in plaats van de verwachte extase, voelde ik pure angst.

Toch omhelsden we elkaar. Een omhelzing is een prima positie als je bang bent, omdat de ander de zweetdruppels en je lijkbleke huid niet kan zien en je gerust over elkaars schouders een paar tellen met wijd opengesperde ogen in de afgrond van de toekomst kunt staren. Even later zaten we zwijgend tegenover elkaar aan de keukentafel. “Eigenlijk schrik ik vooral,” gaf ik toe. “Ik ook,” zei mijn vriendin met een snik. Dat was zo’n opluchting dat mijn tranen ook begonnen te stromen, wat me aan het lachen maakte. Zo zaten we daar te huil-lachen en langzaam maakte de angst plaats voor geluk.

Mijn vriendin en ik weten de clichés van de man-vrouwverhouding meestal te vermijden. Zij kijkt graag mee met Studio Sport en ik ben vaak degene die over gevoelens wil praten. Maar sinds we een baby proberen te maken, ben ik echt een man. Een schaapachtig figuur dat nergens iets van snapt en steeds achterloopt. Zelden ben ik zo geconfronteerd met mijn gebrekkige kennis als in deze periode. Een vrouw is toch gewoon de hele tijd vruchtbaar zodra ze stopt met anticonceptie? Nee, gast. Als je zwanger bent, heb je toch heel veel zin in drop? Juist niet, loser. De mensen bij Google zullen raar hebben opgekeken, toen ze zagen hoe ik opeens mijn surftijd verdeelde tussen de websites van Voetbalzone en MamaEnzo.

Ik probeerde om de ontwikkelingen bij te houden. Ik wilde per se meer zijn dan alleen de dude die zijn sperma gedumpt had. Maar er gebeurde niets in mijn lijf, en soms vergat ik het gewoon, als de oenige penisdrager die ik ben. Zoals de dag dat ze de test zou doen. Mijn vriendin had het ’s ochtends nog heel lief aan me voorgelegd: “Zal ik het vandaag doen, of zullen we nog een dag wachten?” Ik had haar glazig aangekeken en gezegd: “Ehm vandaag maar ofzo?” Vervolgens had ik een YouTube-filmpje gekeken en was deze mogelijk levensveranderende informatie volledig uit mijn gedachten verdwenen.

We zijn zwanger, zei ze. Wat ze bedoelde was: ik ben zwanger, wil je meedoen? Voor we eraan begonnen was ik doodsbang geweest dat een van ons onvruchtbaar zou blijken te zijn. Een gynaecoloog had ooit verklaard dat mijn vriendin ‘een luie baarmoeder’ had; ik kreeg het beeld van een vadsig orgaan dat de hele dag op de bank chips zit te eten, niet meer uit mijn hoofd.

Nu het gelukt was, was ik bang dat ik zelf ooit weg zou gaan, dat ik mijn vrouw en mijn kind zou vergeten zoals zoveel sukkels voor mij. Of dat ik haar zou kwijtraken. Of nog erger, dat we voor altijd bij elkaar zouden blijven.

Twee weken later was het nieuws ingedaald en was ik vooral heel blij. Ik geloofde bijna dat we zwanger waren. Wij samen. Tot mijn vriendin me smste: “Bloedverlies. Maak me een beetje zorgen.”