Essay: Partnerruil

Mijn vriendin en ik waren door een bevriend stel uitgenodigd om mee te gaan naar een concert. Als viertal kenden we elkaar nog niet zo goed. Toen we van tevoren in een bescheiden restaurant tegenover elkaar plaats namen, voelde ik me niet op mijn gemak. Tijdens diners met grote gezelschappen ga ik vaak expres niet naast mijn vriendin zitten. Deels uit stil protest tegen de opdeling in paartjes die onze levens steeds meer beheerst, deels zodat ik tijdens tafelgesprekken samenzweerderige blikken met haar kan uitwisselen. Maar met z’n vieren was er geen ontkomen aan: dit was een dubbeldate.

Op zo’n moment treedt er een mechanisme in werking: ik moet een grap maken. In mijn hoofd zoek ik wanhopig naar een anekdote of een flauwe toespeling. Dus zei ik met een grote grijns, vlak nadat we de menu’s hadden opengeklapt en de eerste stilte was gevallen: ‘Zo. Hoe doen jullie dat, partnerruil?’ Het stel lachte, mijn vriendin lachte, en ik lachte de bescheiden hoeveelheid lach die de grappenmaker mag bijdragen. Ik voelde hoe ik weer grip op de situatie kreeg en het gesprek op gang kwam.

Een paar weken later Whatsappte ik met de man van het stel. We hadden het over een vriendin van hem. ‘Haar vriend is ook erg leuk!’ schreef hij. ‘Anders nodigen we jullie vier een keer uit om pannenkoeken te komen eten?’ ‘Ah,’ antwoordde ik, terwijl mijn angst voor burgerlijkheid, ouder worden en de dood weer over mijn ruggengraat omhoog begon te klimmen. ‘Een goed moment voor partnerruil!’ Het feit dat ik dezelfde matige grap eruit gooide, geeft aan hoezeer het een onvrijwillige reflex is. Mijn vriend stuurde terug: ‘Dat is nu al de tweede keer dat je daar over begint. Doen jullie daar aan?’

Zonder een moment te aarzelen stuurde ik terug: ‘Ja hoor, wij swingen, wij swingen.’ Deze jongen was iemand die van kwinkslagen houdt. Met zijn pretoogjes, zijn neurotische voorkomen en zijn van ironie doorspekte stem, dacht ik eerlijk gezegd dat bijna alles wat hij zei een grap was. Het spel was begonnen.

‘Hoe gaat dat in zijn werk?’ vroeg hij gretig.
‘Er is een Facebookgroep met een aantal stellen. Wie zin heeft maakt eenevent aan en dan kun je je aanmelden.’ Het verbaasde me hoe vloeiend de verzinsels uit mijn driftig typende duim stroomden.

‘Wat klinkt dat formeel,’ zei hij. ‘Wij doen ook weleens dat soort dingen, maar dan gebeurt het toch meer spontaan. En is het niet gek dat het vreemden zijn?’
‘Het zijn geen vreemden. Het zijn… kennissen.’
‘Wij doen het toch eerder met vrienden. Dat voelt vertrouwder.’ Ik lachte om zijn tegenspel. Eigenlijk is zo’n potje bullshitten via Whatsapp veel leuker, dacht ik – je hoeft je lachen niet in te houden.

Daarmee was de grap voor mij wel klaar. Maar een paar dagen later kreeg ik toch weer een bericht van hem. ‘Rutger, ik brand van nieuwsgierigheid. Mag ik nog wat vragen?’ Ik schudde mijn hoofd. Wat een volhouder. Nu kon ik natuurlijk niet afhaken. Ik vertelde mijn vriendin die op dat moment naast me zat over de grap. Ze zei direct: ‘Ik ga geen seks hebben met hem hoor! Dat wil ik helemaal niet.’

Mijn vriendin houdt niet van spelletjes; of eigenlijk kan het haar gewoon niet schelen wie er wint. Tijdens Risk gooit ze nonchalant met de stenen en accepteert het lot gelaten. Ik moet koste wat het kost winnen. Dus zei ik tegen haar: ‘Luister lief, ik ga dit niet opgeven. We gaan hiermee door tot het bittere eind, desnoods tot vlak voor ik Sacha begin te beffen, zodat ik dan tussen haar benen vandaan kan komen met een triomfantelijke gezichtsuitdrukking. In het ergste geval moeten we ze neuken. Alles voor de grap schatje, alles voor de grap!’ verkondigde ik met bloeddoorlopen ogen. Mijn vriendin keek me bezorgd aan.

De vriend vroeg: ‘Ik ben wel nieuwsgierig. Kunnen wij ook eens meedoen?’
‘Ja hoor, natuurlijk,’ nam ik de uitdaging direct aan. ‘Kunnen jullie dit weekend?’ Ik wilde door zijn bluf heen prikken. ‘Dat moeten we even overleggen als onze dochter in bed ligt.’ Ja hoor gast, dacht ik. Beetje zwak om je dochter er bij te halen. Hij zat vast. Nu moest ik de genadeklap geven. ‘Jullie zijn geen echte swingers denk ik,’ typte ik koortsachtig.

‘Dat klopt, bij ons is het meer spontaan. Zoals laatst, toen een ex van mij kwam eten en het al snel uitmondde in meer.’
Uit welke Penthouse had hij dat verhaal nu weer gestolen?
‘Maar vertel eens,’ kaatste hij de bal terug, ‘hoe dan jullie dat qua planning? Wat als een van jullie niet kan?’

Dit werd me veel te serieus. Ik begon mijn controle over de grap te verliezen, dus besloot ik volledig over the top te gaan, een nieuwe dimensie te creëren waarin ik weer de baas was. In een impuls trok ik mijn broekband naar voren en maakte met mijn telefoonflits een foto van mijn penis. Je zag vooral veel onderbuik, enkele oplichtende haren en beneden in de diepte mijn slappe piemel, die kwaad zijn blik afwendde, alsof hij wilde zeggen: ‘Dude, hou me hierbuiten.’ Zonder na te denken stuurde ik het kiekje op.

Illustratie: Robert van Raffe

‘Hahaha is dat je lul?’ schreef de jongen. ‘Ja,’ tikte ik, ‘laat maar aan Sacha zien. Als voorproefje.’ Nu had ik hem. Dat kon niet anders. Maar ook hij bleef in zijn rol: ‘Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt,’ zei hij op zijn gebruikelijke ironische toon, ‘maar blijkbaar is dat in jullie kringen gebruikelijk.’ Kut. Hij was een betere speler dan ik dacht.

We moesten nu doorgaan. Bij poker heb je een term voor deze situatie. Als je tijdens een speelronde blijft bluffen, kun je niet meer opgeven, ook al zijn je kaarten nog zo slecht. Je bent pot-committed: je hebt zoveel ingezet dat stoppen minder voordelig is dan doorgaan tot het gênante moment dat je je miezerige kaarten op tafel moet leggen. Je hebt geen keuze meer. Je bent slaaf van je eigen leugen geworden.

Toen ik een week later in de sportschool in een of ander absurd apparaat een onnatuurlijke beweging aan het herhalen was, kreeg ik weer een berichtje. ‘Hoe doen jullie dat eigenlijk met jaloezie? Dat is voor ons het lastigste, dat ik moet accepteren dat Sacha soms bij een ander is.’

Dit werd veel te serieus en dramatisch. Ik koos weer voor een absurde wending. ‘Ja, daar hebben wij soms wel last van,’ typte ik, ‘maar dan neukt zij me even een uur in mijn reet met een voorbinddildo en dan gaat het wel weer.’ Toen belde hij me op.

‘Hallo?’
‘Hé, wat is dit nou zeg?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Maak je nou een grap? Zit je me nou gewoon te fucken?’

Ik twijfelde. Maar er was iets aan zijn toon. Nee, natuurlijk was hij niet serieus. Hij was slimmer dan ik dacht. Hij probeerde het om te draaien, mij boos te beschuldigen van een grap om dan vervolgens na mijn geschrokken bekentenis te zeggen: ‘Ah daar heb ik je!’ Het enige wat ik kon doen, was de situatie nóg een keer omdraaien.

‘Ik vind dit erg vreemd,’ zei ik.
‘Wat?’
‘Ik vertel jou allemaal persoonlijke dingen, en dan ga je mij ervan beschuldigen dat ik een grap maak? Dat is gewoon een belediging.’
‘Ja, maar kom op: een uur in je reet met een voorbinddildo…’
‘Nou goed, laat het dan drie kwartier geweest zijn, maar dat doet niets af aan de feiten. Het is gebeurd en ik deel dat met jou, als vriend.’
‘God, als je het zo stelt… Sorry. Waar ben je eigenlijk?’
‘In de sportschool. Want als je er dit soort hobby’s op nahoudt, moet je wel een beetje in vorm blijven.’

We hingen op.

Er gingen weken voorbij. We maakten een afspraak voor een avond waarop het zou gaan gebeuren, waarop we van partner zouden gaan ruilen. Maar ik wist dat mijn vriendin die dag in het buitenland zou zijn. Toen ik afzegde, zei mijn vriend: ‘Laten wij die middag wel samen wat drinken.’

We spraken af op een bankje in het park. Het was augustus, hij zweette flink. Opeens zag ik hem met zijn zweterige lijf boven mijn tere vriendin hangen. Ik schudde de gedachte van me af. Het was nu echt mooi geweest, besloot ik. Zelfs voor een legendarische grap begon het nu uit de hand lopen. Ik begon direct zenuwachtig te ratelen. Al snel onderbrak hij me: ‘Dat is allemaal leuk en aardig. Maar je weet waar ik het over wil hebben. Jullie hobby. Ik heb zoveel vragen.’ Hij stak een joint op om zijn opwinding te temperen.

Ik staarde naar de grond. Er liepen zomerblije mensen aan ons voorbij, ik hoorde het vrolijke gekraai van spelende kinderen. Toen schraapte ik mijn keel en keek hem aan. ‘Laten we hier nou maar mee stoppen. Het was leuk, maar het heeft nu wel lang genoeg geduurd.’ Het bleef even stil. Hij keek me uitdrukkingsloos aan. Doordat hij stoned was, twijfelde ik of hij me wel gehoord had. Toen zei hij met trillende stem: ‘Nee. Dit ga je niet doen hè.’

‘Oh shit,’ zei ik, ‘hier was ik al bang voor.’ Hij bracht zijn handen naar zijn slapen en begon zichzelf met een draaiende beweging te masseren, alsof hij de gebeurtenissen van de afgelopen weken nog eens voor zijn ogen wilde afspelen. Toen keek hij me aan en zei half verwijtend en half wanhopig: ‘Maar… ik heb je gevraagd of het een grap was! Dat is de regel, dan moet je het toegeven.’

‘Ik weet het,’ antwoordde ik zachtjes. ‘Maar ik dacht dat jij ook een grap maakte, dat we lak hadden aan de regels, dat we bezig waren met een grote wedstrijd…’ We zwegen weer, allebei verzonken in onze eigen verwarring, schaamte en boosheid.

‘Ik dacht echt dat ik met je vriendin naar bed zou gaan,’ stamelde hij. Ik schudde mijn hoofd. ‘Wij doen dat überhaupt niet. Het heeft er niets mee te maken dat we jullie niet aantrekkelijk vinden.’ Hij keek geschrokken op. ‘Ofwe jullie aantrekkelijk vinden, bedoel ik. We zijn gewoon laf. Heel laffe, burgerlijke mensen die dat niet durven. Ik bewonder jullie.’

Mijn vriend was nog altijd in shock. ‘Ik ben gaan hardlopen om af te vallen. Jij zei dat je in vorm moest blijven voor dit soort hobby’s.’ ‘Nou, dat is toch een geluk bij een ongeluk?’ probeerde ik, maar hij reageerde niet. Ik bedacht dat de verhoudingen nu volledig scheef waren gegroeid: ik wist van alles over zijn relatie, terwijl hij alleen maar leugens van mij had gekregen. Dus begon ik van alles op te biechten, over de rare porno die ik soms kijk, fantasieën die ik koester.

Hij legde uit dat ze geen open relatie hadden, maar juist een gesloten relatie. ‘We vertrouwen elkaar zo erg, dat we elkaar los durven te laten.’ Ik zei zeker zes keer dat ik dat erg mooi vond.

Later, in het café, werden de stiltes steeds langer. Ik durfde geen grap meer te maken en voelde me machteloos. Een keer keek hij op van zijn bier en vroeg met de ontroerende vasthoudendheid van een gedesillusioneerd kind: ‘Maar hééft zij dan ook geen voorbinddildo?’ Ik schudde van nee. We namen al snel afscheid.

Het is min of meer goed gekomen tussen ons. Ik heb nog een keer pannenkoeken voor ze gebakken: ze waren behoorlijk goed gelukt. Er werden een paar grapjes over ‘de grap’ gemaakt. Sacha zei: ‘We kennen elkaar gewoon niet zo goed. Jullie dachten van ons: dat zullen zij wel nooit doen. En wij dachten van jullie: misschien doen ze dat wel.’ Mijn arme vriendin, het grootste slachtoffer, knikte begrijpend. Ik wist dat het beeld van het kleine, lieve meisje met een enorme voorbinddildo nooit meer uit de hoofden van onze gasten zou verdwijnen.

Natuurlijk ben ik stiekem wel benieuwd naar orgies, hoewel ik weet dat ik er in de praktijk veel te laf en onzeker voor zou zijn. Daarom maak ik grapjes. En ergens diep vanbinnen wist ik natuurlijk wel dat het mis zou gaan met ons spel. Anders was het niet zo’n goed verhaal geweest.

Interview: Etgar Keret

Etgar Keret (Tel Aviv 1967) is een van Israels grootste schrijvers. Zijn bundels met korte magisch-realistische verhalen worden volgens hemzelf in ‘McDonald’s-aantallen’ verkocht en hij won alle grote literaire prijzen. Met name voor de jongere generatie Israeli is hij een grote held, omdat hij hun fantasie aanspreekt zonder zweverig te worden. Ook in het buitenland wordt hij zeer gewaardeerd: zijn werk werd in 29 talen vertaald en gepubliceerd in The New York Times, Le Monde en The Guardian. De verhalen zijn veelvuldig verfilmd en in 2009 ontving de door hem geregisseerde film ‘Jellyfish’ de Camera d’Or in Cannes. Nu heeft hij eindelijk weer een nieuwe bundel uit: “Plotseling, een klop op de deur”. Een gesprek met een praatgraag jongetje van 43 over het vertellen van verhalen, maar ook over het intrappen van deuren. “Mijn verhalen lijken willekeurig, maar ze zeggen veel over het leven.”

Verandering
“Een mens is geen schroevendraaier. Je kunt niet zeggen: hij functioneert niet.”

“Ik heb voor het eerst in meer dan acht jaar weer iets geschreven. Het was ontzettend moeilijk. De afgelopen jaren ben ik getrouwd, heb een zoontje gekregen en een hypotheek genomen. Dat zijn allemaal dingen die ik nooit eerder meemaakte en mijn personages ook niet. Dus toen ik begon te schrijven, voelde ik dat ik voor het eerst echt ver van mijn personages af stond. Ik schreef over mensen die ik zelf niet meer was, een heel vervreemdende en frustrerende ervaring. Toen ik onlangs weer begon en mezelf weer kon uitdrukken in mijn verhalen, voelde dat als een enorme opluchting. De meeste mensen die het lezen zijn enthousiast, maar ze zien de verandering niet. Terwijl het voor mij een enorm ander werk is dan wat ik eerder heb geschreven.

Ik ben altijd voor een deel een kind gebleven, juist in mijn schrijven. Dat was het perspectief waar ik me het meest op mijn gemak bij voelde. Bij het schrijven van deze bundel draaide het zich om: ik begreep de volwassenen beter dan de kinderen. Hoewel ik nog steeds een bepaalde gevoeligheid heb voor hoe kinderen denken.

Laatst was ik bijvoorbeeld met mijn gezin in een winkelcentrum, en mijn zoontje vroeg of hij naar wat etalages mocht gaan kijken. Wij zeiden: natuurlijk, ga je gang. Maar op het moment dat hij vertrok, zei ik tegen mijn vrouw: hij gaat naar de roltrappen. Zij zei: hoezo, hij vroeg of hij naar de etalages mocht. Maar ik legde haar uit dat de etalages saai zijn, terwijl de roltrap iets elektronisch is dat op en neer gaat, dat is veel leuker. Dus loog hij. En inderdaad, hij rende direct naar die roltrappen.

Is mijn leven nu beter of slechter? Saaier? Een mens is niet functioneel. Bij een schroevendraaier kun je zeggen: daarmee draai ik schroeven in. Als hij stuk is, gooi je hem weg. Maar mensen hebben geen nut. Kijk, ik zou niemand aanraden om een hypotheek of een vaste baan te nemen, zoals ik heb gedaan. Als je me tien jaar geleden had verteld dat mijn leven zo zou zijn, zou dat als de dood hebben gevoeld. Maar zelfs nu ik een vaste baan bij de universiteit heb, ben ik niet een saai werkpaard geworden. Ik ben nog steeds dezelfde verneukte gast die ik altijd was, maar nu geef ik college. Situaties veranderen snel, maar je verandert zelf nauwelijks.

Mijn broer maakte laatst een grappige observatie. Hij zei: je eerste verhalen vinden allemaal plaats in de bus, daarna was het vervoermiddel altijd de taxi en in je laatste boek zitten je personages steeds in het vliegtuig. Je ziet echt mijn socio-economische ontwikkeling terug in mijn boeken, haha. Misschien dat mijn volgende verhalen plaatsvinden in een privéjet.

Maar dit betekent niet dat de angsten of problemen veranderen of ook maar makkelijker worden. Het verschil tussen een irritatie in een bus en een vliegtuig is niet zo groot. Misschien is het soms zelfs moeilijker. Als ik in Tel Aviv naast een Poolse jood zat die constant scheten liet, kon ik uitstappen. Nu zit ik naast een of andere stinkende Duitser in het vliegtuig, en kan ik geen kant op.”

Hoe een verhaal ontstaat
“Mijn vrouw dacht eerst dat ik een pathologische leugenaar was.”

“Laatst zag ik een man bij een bushalte die een beker koffie in zijn hand en een krant onder zijn arm had. Elke keer als hij een slok nam, viel die krant op de grond. Het maakte me echt verdrietig. Toen ik erover aan mijn vrouw vertelde, zei ze: “Wat een sukkel, waarom legt hij die krant niet even weg.” Ik zei: nee nee, daar gaat het niet om. Zo beginnen verhalen: het is een poging om voor jezelf te verwoorden waarom er iets in een moment is dat willekeurig lijkt, maar toch iets over het leven zegt.

In mijn nieuwe bundel is er een verhaal getiteld ‘Gezonde Start’. Ik was in Duitsland en ik zou in een café in Berlijn een afspraak met mijn uitgever hebben. Maar toen ik daar was, realiseerde ik me dat ik geen idee had hoe hij er uit zag. Dus ik ging zitten en even later kwam er een man binnen, die mij vragend aankeek, dus ik gebaarde dat hij moest gaan zitten. Hij zei: “Ik heb je e-mail gelezen en er over nagedacht.” Ik dacht: wat valt er na te denken? Ik mailde gewoon dat ik in Berlijn was. Maar ja, hij is Duits en Duitsers zijn vreemde mensen, dus oké. Hij vervolgde: “600.000 is te veel. Ik denk dat het 400.000 moet zijn, met een optie op de diamanten, die ongeveer 80.000 waard zijn. En over twee jaar krijg je die extra 85.000, dus dan heb je een goede prijs. Ik denk echt niet dat je een betere prijs kunt krijgen.” Ik zei: “Ben jij Georg?” Hij zei: “Nee. Ben jij Neill?” Ik zei: “Nee!” Toen kwam mijn uitgever binnen.

Maar op mijn hotelkamer dacht ik: wat een slechte deal! 400.000 met een optie op de diamanten? Geef me de diamanten en een optie op de 120.000 die ik misloop! Hier kwam een verhaal uit voort over een jongen met wie het niet goed gaat en die heel eenzaam is. Dus gaat hij in een café zitten en wenkt alle mensen die zoeken naar iemand die ze niet kennen. Zo leeft hij een oneindige hoeveelheid levens.

Dat soort dingen overkomen mij voortdurend. Toen mijn vrouw met me begon te daten, zei ze tegen haar beste vriendin: ik heb een jongen ontmoet en hij is echt heel leuk, maar ik weet niet of ik hem kan blijven zien, omdat hij een pathologische leugenaar is. Mijn familie alleen al is een verzonnen verhaal. Mijn broer is een linkse activist die in een boomhut in Thailand woont, wiens vrouw een bekende pornofilmrecensent is. Mijn zus is een ultraorthodoxe Jood geworden, die mijn boeken niet mag lezen van haar geloof. Ik heb een vader die zich na het overleven van de Holocaust voornam om elke zeven jaar van beroep te veranderen zodat hij zoveel mogelijk levens kon leiden.

Goede verhalen zitten in mijn familie. Ook hoe mijn ouders elkaar ontmoet hebben bijvoorbeeld. Mijn vader was op dat moment voorman bij het bouwen van huizen, hier in Tel Aviv. Na elk project kreeg hij in cash betaald, maakte het op aan drank en feesten en begon weer aan een nieuw project. Het was een erg vrolijke man. Hij ging een keer met dat geld naar een Roemeens restaurant met een vriend en ze werden erg dronken. Er speelde een zigeunerband en de sfeer was goed.

Op een gegeven moment ging zijn vriend naar huis. Mijn vader was alleen met die band in het restaurant en de eigenaar zei: ik wil gaan sluiten, kunt u weggaan. Dus mijn vader zei tegen die band: willen jullie mijn privéband voor de avond zijn? Ze gingen akkoord en vertrokken al spelend naar het strand. Hij zei: speel een sentimenteel liedje. En dat deden ze, er was een man die prachtig viool speelde, met een aapje op zijn schouder.

Opeens moest mijn vader enorm plassen. Dus hij zocht een muur op en vroeg aan de band: kunnen jullie blije plasmuziek spelen? En zij zeiden: natuurlijk, we zijn zigeuners, dat kunnen we heel goed. Na vijf minuten kwam er een politieauto aan en begonnen ze iedereen te arresteren. Mijn vader had het niet door omdat hij dronken was, maar hij stond tegen de Franse ambassade te plassen. Met de band erbij dachten mensen dat het een soort protest tegen Frankrijk was.

Ze stopten mijn vader in de auto en hij verzette zich niet. Maar de zigeuners werden kwaad en begonnen te vechten, het aapje sprong op een politieman, het was chaos. Dus mijn vader raakte verveeld en stapte uit de auto om een sigaret te roken. Toen zag hij in de verzamelde omstanders een mooi meisje staan. Hij liep op haar af en zei: hallo, ik ben een politieagent. Heeft u gezien wat hier gebeurd is? Ze zei: nee, ik kom net aanlopen. Hij zei: ik moet toch uw gegevens hebben, als getuige. Ze schreef alles voor hem op en op het moment dat ze de pen terug wilde geven, sprongen er twee politiemannen boven op mijn vader en werd hij afgevoerd. Mijn moeder kwam thuis en zei tegen haar huisgenoot: ik heb mijn gegevens aan een psychopaat gegeven! Ik moet verhuizen! Nadat mijn vader was vrijgelaten heeft hij mijn moeder twee maanden lang gebeld om haar ervan te overtuigen dat hij niet gevaarlijk was. Het leven van mijn ouders was een sprookje.

Zo ben ik ook opgevoed. De levenservaring van holocaustoverlevers is onvoorstelbaar. Mijn moeder is opgegroeid in het Warschaughetto, ze zag haar moeder en jongere broertje voor haar ogen vermoord worden en later verloor ze ook nog haar vader. Daar wordt je enorm treurig van, maar ook op een vreemde manier optimistisch. Mijn moeder was een kind tijdens de Tweede Wereldoorlog. Haar enige ervaring met het leven was dat iedereen elkaar wilde doden of bestelen. Het is alsof iemand zegt: hier is een fucked up leven, veel succes. Maar na ‘45 werd alles beter. Mijn moeder zit dus in een opgaande curve, zoals ze zelf altijd zegt. Ze zit telkens te wachten tot het weer wat beter wordt, want zo gaat het in haar leven. Dat is het voordeel van zo’n slechte start.

Mijn opa en oma vertelden altijd verhalen voor het slapen gaan, die ze compleet verzonnen, omdat ze zich geen boeken konden veroorloven. Mijn ouders deden dat ook bij ons. Voor hen was voorlezen uit een kinderboek hetzelfde als naar McDonald’s gaan: lui ouderschap. Mijn moeder vertelde altijd mooie verhalen over eenhoorns en heksen. Maar mijn vader vertelde altijd over dronkaards en hoeren, ook toen ik vijf was en nog niet begreep wat dat was. Dat waren agressieve verhalen, maar met veel optimisme en compassie. Dat zie je terug in mijn werk. Mijn karakters zijn bijna nooit aardig, maar ze kennen empathie. Als je de weg aan ze vraagt, zouden ze je helpen. Het leven is een mix van de realiteit en jouw perspectief. Voor mijn vader was de realiteit heel hard, maar zijn perspectief vol compassie.

Waarom schrijf ik verhalen? Mensen zijn als ongelofelijk ingewikkelde elektronische apparaten, maar dan zonder gebruiksaanwijzing. Ze gebruiken elkaar zonder dat ze echt snappen wat ze doen. Ze snijden hun schnitzel met dat apparaat of gebruiken het om de deur op een kier te houden. Ik zeg daarentegen: ik weet ook niet hoe de mens precies werkt, maar ik denk dat we er meer mee kunnen. Als schrijver probeer ik dat rare apparaat te pakken en willekeurige knoppen in te drukken om te zien wat er gebeurt, zonder dat ik verwacht dat ik die handleiding ga schrijven. Het leven gaat er niet om dat je een broodje besteld, de ober een pasta brengt en jij dan zegt: laat maar, ik eet de pasta wel. Dat is niet de essentie van het leven. Maar het zijn wel de contouren van die essentie en dat probeer ik te laten zien. Het gaat niet om situaties, maar als ik ze heel goed beschrijf, lukt het me misschien om er toch iets mee te zeggen.”

Wonen met Keret
“Mijn superkracht is dat ik precies kan aanvoelen wanneer iemand moet plassen.”

“Mensen denken vaak dat ik heel makkelijk in de omgang ben, dat is niet zo. Maar ik ben wel attent. Alleen dan weer zo attent dat het irritant wordt. Ik heb hier altijd ruzie met mijn vrouw over. Iedereen heeft een superkracht en die van mij is dat ik precies kan aanvoelen wanneer iemand moet plassen. Ik reis altijd per taxi en het kwam best vaak voor dat zo’n man me thuis afzette en ik hem aankeek, even wachtte en vroeg: “Moet je naar de WC? Dat kan bij mij binnen als je wil.” En hij zei dan: “Graag, hoe wist je dat?” Mijn vrouw vindt dat verschrikkelijk, zo’n vreemde vent in huis. Maar ja, waar moeten ze anders plassen? In hun kofferbak?

Ik ben lief op een megalomane manier. Mijn telefoonnummer staat gewoon in het telefoonboek, dus mensen bellen me best vaak op. Op een gegeven moment belde er een jongen van 17 die zei: ik ben morgen jarig en alle kinderen in mijn klas haten me, dus niemand gaat naar mijn feestje komen. Maar als u als beroemdheid nou komt, dan komen de kinderen vast wel. Dus ik zei: oké. Hij woonde behoorlijk ver weg, ik heb geen auto dus ik moest drie kwartier met de bus reizen. Die jongen was niet eens aardig, ik begreep wel waarom de rest van de klas hem niet mocht. Dus daar stond ik dan. Te praten met zijn moeder, een heel irritante vrouw. En de kinderen waren tieners, dus ze negeerden mij omdat ik toch een soort ouder ben. Het is niet dat ik dat leuk vind, snap je? Maar ik moet wel. Ik heb ergens het gevoel dat ik verantwoordelijk ben voor alles op deze aarde. Daar heb je niets aan.

Ik ben ook heel erg koppig. Een tijdje geleden was ik in New York en had geblowd met een vriend. We besloten om naar een Italiaans restaurant te gaan. Ik bestelde een macaroni met kaas. De ober zei: “Het spijt me, maar dat staat niet op ons menu.” Ik zei: “Mag ik u een paar vragen stellen?” Hij zei: “Natuurlijk.” Ik zei: “Verkoopt u macaroni?” “Ja.” “Heeft u kaas?” “Ja.” Dus ik zei: “Zou u alstublieft wat macaroni in kokend water kunnen gooien en het op een bord kunnen serveren, met wat kaas eroverheen?” Hij zei heel passief agressief: “Meneer, het staat niet op het menu. Kunt u iets van het menu bestellen?” Dus ik zei: “Laat me het anders formuleren.” Hij werd steeds geïrriteerder. Ik zei: “Hoe vaak in uw leven heeft u de kans gehad om iemand oprecht gelukkig te maken, waarna u dat weigerde?” We keken elkaar een moment intens aan en toen zei hij: “Een macaroni met kaas voor meneer.” Het is een kwestie van verhalen vergelijken. Hij zegt: ik werk in een restaurant met een menu en regels en elke keer komen er irritante mensen binnen die allerlei rare bestellingen doen. Maar ik zeg: je hebt een restaurant waar je eten verkoopt waar mensen van genieten, dus fuck de regels. Hij zei in feite: jouw verhaal is beter.

Politiek
“Het is enorm zwaar om elke dag weer te doen alsof je leven normaal is.”

“We wonen op een heel erg moeilijke, deprimerende plek. Ik ontmoette gisteravond een Amerikaan en die zei tegen mij: “Ik hoor altijd over Israel dat het zo’n treurig land is, maar het is net zoals overal. Aardige mensen en een prettige sfeer.” We stonden in de rij voor een buffet en ik zei tegen hem: “Er is een verschil tussen deze rij en een rij in New York of Boston. Als je aan al deze mensen zou vragen: ‘Ben je wel eens naar de hoeren geweest?’ zou je hetzelfde antwoord krijgen als in Amerika. Maar als je zou vragen: ‘Heb je wel eens iemand gedood? Ben je wel eens in een levensgevaarlijke situatie geweest?’ zal in Israel bijna iedereen zijn of haar hand opsteken.” Hier kijken mensen ook uit naar het weekend, maken ze reizen naar Australië en gaan ze naar de hoeren. Maar ze hebben altijd een soort afgezonderde kant. Jongens van 20 leren in het leger om mensen neer te schieten met een sniper rifle, maar kopen geen producten uit China omdat ze tegen de bezetting van Tibet zijn. Het zijn dit soort tegenstellingen die een enorme emotionele druk op je zetten. Het is niet eens de druk die militaire situaties met zich meebrengen. Het is enorm zwaar om die agressie in toom te houden, om elke dag weer te doen alsof je leven normaal is.

Ik had ooit een vriendinnetje die zich tijdens ruzies opsloot in de badkamer. Ik stond daar dan en zei: “Doe de deur open, kom op!” Een Nederlandse man zou dat ook doen. Maar het verschil is dat ik in het leger precies geleerd heb hoe ik een deur moet opentrappen. Wanneer ik zeg: “Doe de deur open alsjeblieft,” dan doe ik alsof ik niets kan doen, terwijl een Nederlandse man echt niets kan doen. Het is net als plaatjes op verpakkingen die er nooit uitzien als wat er in zit.

Ik denk dat een probleem van de politiek is dat ze alles dehumaniseren. Mensen denken dat empathie hun standpunt verzwakt, terwijl ik juist denk dat het andersom werkt. Ik probeer mensen een gezicht te geven. Als ik een stuk schrijf over een kolonist die verrassend genoeg heel gevoelig blijkt te zijn, dan betekent dat niet dat ik voor nederzettingen ben, maar wel dat je normaal kunt omgaan met mensen met wie je het politiek oneens bent. Een paar jaar geleden namen de mensen die tegen de ontruiming van nederzettingen waren, de symbolische kleur oranje aan. Mijn favoriete shirt was oranje. Dus ik werd voortdurend gefeliciteerd of uitgescholden. Dat vind ik het ergste, als je persoonlijkheid wordt afgenomen ten behoeve van een politieke stroming of statement. Je kunt niet meer gewoon een shirt dragen omdat je het mooi vindt.

Begrijp me niet verkeerd, er is natuurlijk wel iets aan de hand. Ik ben zelf ook met een mes bedreigd door een gestoorde moslimfundamentalist die me wilde doden. Ik heb gezien hoe soldaten mensen vernederden bij een checkpoint. Er zijn een miljard moslims in de wereld die tegen mijn bestaan zijn. Alle landen in de regio willen ons weg hebben. Dat is een reële angst, die je elke dag weer ervaart. Dat zullen mensen in Finland of Nederland nooit begrijpen. Toch zal ik dat nooit als excuus voor simplificatie gebruiken.”

(Verschenen in Vrij Nederland, 2011)