Essay: Pasta Pesto met een vleugje jongensbloed

illustratie Merel Kamp -Rutger Lemm

Illustratie: Merel Kamp

Toen ik op mezelf ging wonen, dacht ik dat je groenten altijd in een glazen potje koopt en dat voorgeschilde, voorgesneden, voorgekookte en vaak zelfs voorgekruide aardappelschijfjes de aardappelnorm waren. Mijn moeder hield niet van koken en zodoende vormde het avondmaal vooral een sociale gelegenheid, waarbij we verplicht samen aan tafel aten en de drie eenheden op ons bord als brandstof dienden. Mede dankzij de gebrekkige kookkunsten van mijn ouders was ik een moeilijke eter. In het liedje ‘Jongens eet nou door’ van de Stratemakeropzeeshow zong Joost Prinsen:

“Rutger, hou nou es je kop
Nee, het is niet bijna op
Eet nou toch ‘ns door”

Het komt wel vaker voor dat een lied over jou lijkt te gaan, maar door het gebruik van mijn eigen voornaam kwam deze tekst ijzingwekkend dicht bij mijn werkelijkheid. Mijn ouders zongen het vrolijk als ik weer eens als laatste aan tafel was overgebleven, zorgvuldig wroetend door de culinaire loopgraven, op zoek naar iets wat ik in mijn mond wilde steken. Dat wroeten doe ik overigens nog steeds vaak: dingen die ik niet lekker vind (paddenstoelen, rauwe ui), leg ik zorgvuldig bloot en transporteer ik naar een kleine hoop op de rand van mijn bord. Ik ben sinds mijn tiende nauwelijks meer gegroeid. Mijn lichaam kwam simpelweg bouwstenen tekort.

Feta stelen

Op de middelbare school raakte ik bevriend met een gezonde, blonde jongen genaamd Simon. Later kon ik ook zijn beresterke broertje en zijn eveneens imposante zusje tot mijn vrienden rekenen. Zijn moeder was net gescheiden en onze vriendengroep vulde het gat in haar leven door regelmatig te komen eten. Zij genoot van ons gezelschap en wij werden betoverd door haar culinaire magie. Pompoensoep met verse dille, dampende applecrumble met crème fraîche, bonenschotel vol smaakexplosies. Ik wist niet dat eten zo lekker kon zijn.

Ik ben opgegroeid in een dorp. Amsterdam was voor mij een stad waar mijn tienerdromen uitkwamen: oude, statige huizen met overvolle boekenkasten, gesprekken over muziek en literatuur, tafels vol met adellijke maaltijden. Mijn tweede familie vertelde graag anekdotes aan tafel. Een van de verhalen ging over Simons broertje, die als zesjarig jongetje een avond lang steeds blokjes feta uit een bakje op het aanrecht stal. Zijn vader rende na de vierde keer boos op hem af, gleed uit in de gemorste olie en brak zijn been. Iedereen lachte. Maar voor mij was het frappante aan deze herinnering niet het ongeluk, maar het feit dat een jongetje van zes stiekem feta stal. Feta! Ik wist op mijn zesde niet eens dat er meerdere soorten kaas waren.

Na deze etentjes besloot ik mijn onwetende ouders te onderwijzen: ik zou op een vrijdag voor ze koken. Ik belde mijn surrogaatmoeder voor het recept van haar befaamde pompoensoep en trok naar de enige groenteboer die ik kende, vlakbij mijn school, in de Beethovenstraat in Amsterdam-Zuid. De elitaire pompoenen kostten acht euro per stuk en ik joeg de veertig euro die ik van mijn ouders had meegekregen er in een uur doorheen met simpele aankopen als bouillonblokjes, uien en boter. Vervolgens was ik een halve dag bezig met het schillen van de glanzende groenten en het pureren van de soep, terwijl ik mijn ouders resoluut de toegang tot de keuken, die zij jarenlang hadden beledigd met hun stuitende gebrek aan talent, ontzegde. Het aanrecht was een oranje ravage toen ik klaar was, maar de soep smaakte goed. Het was alleen wat weinig. Om onze magen alsnog te vullen, bakte mijn vader maar een eitje voor iedereen.

Zodra hij met pensioen ging, werd mijn vader kookverslaafd. Hij kocht de beste keukenwaar en leefde zich uit op recepten van Jamie Oliver. Op de pagina’s van zijn kookboeken gaf hij cijfers en maakte hij aantekeningen, om zijn creaties te perfectioneren. Voor mij was het te laat: ik was al uit huis en aangewezen op mijn eigen beperkte vaardigheden. Ik kon goed met een recept koken, maar zonder deze instructietekst was ik machteloos. Ik was jaloers op een vriendin van me, die met slechts een halfvol pak spaghetti, olijfolie, een knoflook en wat kruiden een adembenemend gerecht in elkaar kon flansen. Dat was echt koken: dat je niet alleen ingrediënten, maar de hele sfeer van de avond in een handomdraai kon veranderen.

Ik wilde dat ook graag. Op een avond hing ik een bruin café met mijn beste vriendin, op wie ik smoorverliefd was, maar die al geruime tijd een relatie had. De Amsterdamse barman probeerde ons te koppelen, tot mijn grote vreugde. “En, kan-ie een beetje koken?” vroeg hij terwijl hij nog maar eens twee biertjes voor ons tapte. Zij hing op de bar en keek me van opzij aan. “Nee,” zei ze lachend. “Echt wel!” sprak ik, iets te verontwaardigd. We spraken dronken af dat ze bij me zou komen eten. Ik zou bewijzen dat ik kon koken en zij zou een jurk aan doen.

Bloed

Zoals altijd was ik te laat begonnen. De pompoensoep was goed op weg, maar ik moest nog aan de Pasta Pesto beginnen. Om tijd te besparen besloot ik om de basilicumblaadjes in de blender te doen. Ik keek zwetend toe hoe de bovenste blaadjes rustig de malende kaken van het apparaat negeerden. “Zak! Zak nou toch!” riep ik wanhopig. Ik moest ze naar beneden duwen. Terwijl de blender nog altijd met veel lawaai nutteloos doorraasde, zocht ik koortsachtig naar een langwerpig voorwerp. Daar: het broodmes. Op de een of andere manier bedacht ik dat het onverstandig zou zijn om het lemmet door het gat in de deksel naar binnen te steken: metaal tegen metaal kon nare gevolgen hebben. Dus gebruikte ik het handvat als hulpmiddel, terwijl ik het mesdeel tussen mijn domme vingers hield. Het werkte: de blaadjes staakten hun verzet en sprongen hun noodlot tegemoet. Tot ik iets te laag kwam, het broodmes gegrepen werd door de maalstroom en met een woeste beweging uit mijn hand schoot. Ik deed snel de blender uit, keek naar mijn hevig bloedende duim en het broodmes dat uitdagend uit de blender stak. Ik besefte nu pas hoeveel geluk ik had gehad. En wat voor idioot ik was.

Ik vertelde het verhaal later aan mijn lachende vriendin. Ze had een mooie jurk aan. Het eten was goed gelukt en mijn duim was vakkundig gebonden. Misschien zat er een beetje bloed in de pesto, maar daar proefde je niets van. Na het eten ging ze echter gewoon naar huis, naar haar vriend.

Toch ging ik door met leren, vaak om meisjes te versieren. Inmiddels ben ik een stuk handiger geworden, mede dankzij de late opvoeding van Jamie Oliver. Dankzij termen als “een flinke hand vol geraspte Parmezaanse kaas” en zinnen als “intussen kun je de tafel mooi opdekken!” durfde ik te improviseren en leerde ik hoe je smaken kunt combineren. Nu kan ik zeggen dat ik met beperkte ingrediënten iets bijzonders kan maken. Geef mij een ui, een restje olijfolie, een oude citroen, een aardappel en wat peterselie en ik maak een fatsoenlijke maaltijd. Zonder al te veel bloed en behoorlijk snel. Ik ben vanaf mijn zesentwintigste nog zeker zes centimeter gegroeid.

Natuurlijk zijn foodies irritant. Maar ik vind het nog vervelender als mensen doorschieten in hun gezondheidsmanie, of door gebrek aan zin of fantasie blijven hangen in een ander plezierloos dieet, en zo vergeten dat boter, zout en suiker na het orgasme en Lionel Messi de grootse geschenken van God aan de mensheid zijn. Ik ben blij dat ik dat heb geleerd van mijn Amsterdamse moeder en Jamie Oliver. Een beetje verse dille kan je leven veranderen.

Verschenen op Potaatoo</i>