Commentaar: In Holland staan twee huizen

Of het nu over Zwarte Piet, vluchtelingen of kunstbezuinigingen gaat: in Nederland lijken sinds de opkomst van Pim Fortuyn twee bevolkingsgroepen lijnrecht tegenover elkaar te staan. Er is tussen deze groepen steeds minder ruimte voor de uitwisseling van overtuigingen: we noemen het een discussie, maar eigenlijk is het vooral een uiting van het totale onbegrip voor de ander. Hoe kun je zo denken? Hoe kun je zo leven?

Je zou het links tegen rechts kunnen noemen, Jesse Klaver tegen Geert Wilders, De Telegraaf tegen De Groene Amsterdammer, softies tegen eikels, GeenStijl tegen De Correspondent of de populisten tegen de elite. Bas Heijne beschreef het in het boek Moeten wij van elkaar houden? – Het populisme ontleed (2011) als de strijd van mensen die in eenwording van de wereld geloven, tegen de burgers die vooral van hun eigen wereld uitgaan. Oftewel: de naïeve avonturiers die nog steeds over de grenzen willen kijken, tegenover de starre bewakers van de eigen cultuur. Deze tweekamp staat centraal in klusprogramma House Rules Holland (Net5), en dat maakt het een van de meest interessante tv-programma’s van het moment.

In dit van oorsprong Australische concept moeten vijf stellen elkaars huis verbouwen en inrichten. Iedere week heeft een van de duo’s vrij en worden de kamers van hun stek onder de overige stellen verdeeld. De eigenaars mogen wel een aantal huisregels achterlaten, die de kandidaten zo goed mogelijk moeten interpreteren. Na vijf dagen wordt het resultaat beoordeeld door het teruggekeerde paar én een vakjury. De stress van het klussen en de botsing van smaken zorgen voor grote spanning tussen de stellen, waarbij bredere maatschappelijke irritaties naar boven lijken te komen.

Het programma kwam pas goed op gang in de tweede aflevering, toen het huis van Dirk en Marte uit Amsterdam (team bruin) onder handen werd genomen. Hun huis moest ‘modern bohemien’ worden, met gebruik van ‘eerlijke materialen’. Marte (theatermaker en model) en Dirk (schrijver en docent aan de kunstacademie) deden er nog een schepje bovenop met hun eigen omschrijving. Marte: “Het is eclectisch, mondiaal…” Dirk: “Kosmopolitisch.” Ze werden duidelijk neergezet als het artistieke Amsterdamse stel.

De kaalgeschoren en met tatoeages getooide Limburger Ben (vrachtwagenchauffeur) en zijn Pools-Nederlandse vriendin Kasia (administratief medewerker) kregen de Amsterdamse woonkamer toebedeeld. Ze uitten hun scepsis over de ‘bouwval’ en vage adviezen als “Luister naar wat het huis wil”, maar gingen toch enthousiast aan de slag. Ondanks de goede bedoelingen was het eindresultaat een soort parodie op de levensstijl van hun opdrachtgevers: psychedelisch behang, regenbooggordijnen en bloemetjespatronen. Hippie in IKEA-stijl. De ongezouten reactie van Marte haalde het tv-overzicht van De Wereld Draait Door. “Dit is lelijk!” riep ze uit. “Het is niet echt een geheel,” probeerde Dirk haar nog te nuanceren. “Ja, het is het geheel van je wiet rokende buurvrouw van zestig die al veertig jaar aan de crack is.” Hun cijfer: een 4.

Ben en Kasia (team blauw) reageerden onderkoeld op dit oordeel: “Straks zijn wij aan de beurt.” En inderdaad, in de aflevering waarin hun eigen huis centraal stond, gaven ze de niet helemaal geslaagde hal van Marte en Dirk een rancuneuze 3. De reactie van Dirk was veelzeggend: “Dit voelt persoonlijk.”

De jury beloonde Dirk en Marte echter elke aflevering met hoge cijfers, wat hen nog minder populair maakte bij de andere kandidaten, die naar hen als “Amsterdam” begonnen te verwijzen: “Als Amsterdam dat zo wil, moeten ze dat lekker doen.” De hoofdstedelijke arrogantie werd op Marte en Dirk geprojecteerd. Als kijker voelde je de sluimerende irritatie bij Alwin en Renate (Zeeland), Babette en Rosalie (Beverwijk) en Rianne en Arno (Zaandam). Maar de belangrijkste strijd was die tussen Dirk en Marte (Amsterdam), en Ben en Kasia (Limburg). Zij worden door het programma gepresenteerd als de clichématige vertegenwoordigers van twee groepen die in Nederland op meerdere vlakken strijd voeren: de pretentieuze hoofdstedeling tegenover de lompe provinciaal. Dat maakt het programma herkenbaar en verslavend. Deze twee koppels staan vanavond in de live-finale, waarbij de sms-stem van het publiek zal bepalen wie de hoofdprijs (twee jaar hypotheekvrij wonen) wint.

10686717_10153877234644155_8433040656759503496_n

“Het is een droomfinale,” geeft Bloeme Keilson (uitvoerend producent) toe. “Tussen deze twee stellen bestaat het meeste vuur: je ziet dat er op Twitter echt twee kampen zijn ontstaan. Maar ze zijn ook aan elkaar gewaagd. Marte en Dirk zijn beter in styling, terwijl Ben en Kasia echt kunnen klussen. Het is een strijd tussen creativiteit en ambacht.” Op de vraag of de makers bewust de bredere maatschappelijke strijd in hun programma wilden uitspelen, antwoordt ze ontkennend. “Maar we hebben wel stellen uitgezocht die zo verschillend mogelijk zijn. Bovendien is het natuurlijk een heel intiem programma: je geeft je sleutels aan vreemden en zij moeten zich inleven in jouw smaak.”

Toch is het overduidelijk dat de programmamakers meeliften op actuele spanningen. In de halve finale moesten de stellen samenwerken. Ben en Kasia gingen samen met Dirk en Marte in de badkamer en tuin van team geel (Zaandam) aan de slag. De opgebouwde irritatie kwam tot uitbarsting toen Marte een groot deel van de tijd besteedde aan winkelen, en voor iedere lamp, snoer en tafel met de klussende Ben en Kasia belde om te overleggen. “Pak gewoon die kabels en die lampen mee en klaar,” riep een gefrustreerde Ben uiteindelijk in de telefoon. Bij de terugkomst van Marte was hij cynisch over alle ‘rotzooi’ die ze in de vintagewinkel had uitgezocht en zei hij dat ze haar voortaan moesten ‘vastbinden’. Opnieuw een mooi praktijkvoorbeeld van de botsing tussen twee stijlen: aan de ene kant de twijfel, de nuance en de wil om te overleggen, aan de andere kant de rechtlijnigheid.

Het is de vraag in hoeverre deze tweespalt ook echt bestaat, of dat het vooral door het programma wordt opgestookt. Ruzie is sexy. Net5 heeft belang bij duidelijke verschillen. Daarom zetten ze Ben, Kasia, Dirk en Marte ook vaak bij elkaar en vragen ze Ben voortdurend om zijn mening over team bruin. In reality tv wordt klein drama gecreëerd door slimme montage, opzwepende muziek en een voice-over. De ware realiteit is namelijk doodsaai. “Het is een uitvergroting,” zegt producent Keilson dan ook. “We maken een verhaal en dat is nooit helemaal genuanceerd. Dat heb jij ook als je een artikel schrijft.”

Dirk en Marte ontkennen in een telefonisch interview dat er echt sprake is van irritatie met Ben en Kasia. “Als de camera uitgaat, drinken we gewoon een biertje in het hotel,” zegt Dirk. “Eigenlijk was het heel gemoedelijk met alle kandidaten onderling. Met Ben en Kasia worden we geen vrienden, maar we kunnen best met ze lachen,” vult Marte aan. Dirk: “Wij kunnen ook klussen en zij kunnen ook stylen. Dat zwart-wit-beeld klopt niet helemaal. Ook niet dat wij ‘de Amsterdammers’ zijn. Ik ben zelf nota bene in Limburg geboren en in Brabant opgegroeid.” Ze geven bovendien aan dat ze de omschrijving “eclectisch, kosmopolitisch, bohemien” ironisch bedoelden, maar dat dat op televisie niet over kwam.

Ik ga langs op de set van House Rules Holland in Amsterdam, waar Ben en Kasia bezig zijn met hun finaleproject. Het is de vierde keer dat de Limburgers in Amsterdam aan de slag moeten. Hebben ze er zin in? Ben: “Weinig.” Maar als ik Kasia vraag of ze een hekel aan Amsterdam heeft, schudt ze haar hoofd: “Ik kom er graag om te winkelen.” Ook Ben heeft op zich niets tegen de hoofdstad, maar vooral iets tegen de bouwvallige Amsterdamse etagewoning waar hij weinig van begrijpt. En team bruin? “Ze zijn anders”, zegt Kasia vanaf de ladder. “En jij schatje?” roept ze naar Ben, die hevig zwetend een vloer aan het leggen is. “Het zijn niet mijn vrienden, dat weet je,” zegt hij. “Wij werken sneller. Zij zijn altijd relaxed,” zegt Kasia. “Het zijn dromers,” voegt Ben hoofdschuddend toe. Kasia: “Maar hekel is een groot woord.” Het Limburgse stel keek niet op van de eindmontage, omdat ze weinig gebruik maken van nuances en ironie. Ben: “Wij zijn altijd eerlijk.” Kasia schrok wel van haar stem: “Ik klink als een eend met een gebroken pootje.”

Het lijkt dus wel mee te vallen met de titanenstrijd tussen Ben en Kasia enerzijds, en Marte en Dirk anderzijds. Dat is niet verrassend: de media zullen altijd de realiteit vervormen. Maar misschien zegt dit ook iets over de grote maatschappelijke tweestrijd van de laatste jaren. Wordt die niet op eenzelfde manier in stand gehouden? Ik moet zelf tijdens het schrijven van dit artikel vechten tegen de verleiding om het smeuïge contrast tussen Ben de harde werker en Marte de dromer te benadrukken. Natuurlijk zijn er reële verschillen en irritaties, maar de uitvergrotende werking van (sociale) media zorgt ervoor dat clichés in stand blijven en zelfs worden uitgebreid. En met die vooroordelen in het achterhoofd wordt de afstand en het onderlinge onbegrip alleen maar groter.

Aan de andere kant is House Rules Holland zelf misschien wel een verrassende verbindende factor. Het programma speelt in op een maatschappelijke kloof, maar het brengt die mensen óók in direct contact met elkaar. Marte: “Ik ben me door het programma wel gaan realiseren dat we soms in een bubbel leven.” Ben en Kasia zeggen in het programma dat ze weinig vrienden hebben, omdat ze altijd zo nietsontziend eerlijk zijn, maar het doet Ben zichtbaar goed om op de set met de (grotendeels Amsterdamse) crew te dollen. Het programma liet gaandeweg het seizoen ook meer nuances zien: Ben die andere kandidaten onbaatzuchtig helpt, Marte die zonder aarzelen het dak op gaat om een kapel te plaatsen.

Bloeme Keilson noemt dat “een mooi toevallig bijproduct” van het programma: “Het mooie van mijn werk in reality tv, is dat je in aanraking komt met mensen die je normaal nooit zou ontmoeten. Hierdoor kan ik me ook in het dagelijks leven makkelijker in andere mensen verplaatsen. Het concept van House Rules Holland past daar perfect bij: je komt bij elkaar thuis en leert elkaars leven en elkaars smaak kennen, hoe vreselijk je dat misschien in eerste instantie ook vindt. Ik denk dat de kandidaten veel van elkaar geleerd hebben.” Kasia geeft dat ook toe: “Door Marte ben ik styling anders gaan zien. Ik begrijp nu beter hoe bepaalde dingen mooi kunnen zijn.” Dirk is een betere klusser geworden dankzij de tips van Ben en Marte heeft geleerd om sneller aan het werk te gaan. En Ben is diep, heel diep in zijn hart, ook wel een beetje jaloers op de dromerige levenshouding van team bruin.

Verschenen in de Volkskrant

Essay: Partnerruil

Mijn vriendin en ik waren door een bevriend stel uitgenodigd om mee te gaan naar een concert. Als viertal kenden we elkaar nog niet zo goed. Toen we van tevoren in een bescheiden restaurant tegenover elkaar plaats namen, voelde ik me niet op mijn gemak. Tijdens diners met grote gezelschappen ga ik vaak expres niet naast mijn vriendin zitten. Deels uit stil protest tegen de opdeling in paartjes die onze levens steeds meer beheerst, deels zodat ik tijdens tafelgesprekken samenzweerderige blikken met haar kan uitwisselen. Maar met z’n vieren was er geen ontkomen aan: dit was een dubbeldate.

Op zo’n moment treedt er een mechanisme in werking: ik moet een grap maken. In mijn hoofd zoek ik wanhopig naar een anekdote of een flauwe toespeling. Dus zei ik met een grote grijns, vlak nadat we de menu’s hadden opengeklapt en de eerste stilte was gevallen: ‘Zo. Hoe doen jullie dat, partnerruil?’ Het stel lachte, mijn vriendin lachte, en ik lachte de bescheiden hoeveelheid lach die de grappenmaker mag bijdragen. Ik voelde hoe ik weer grip op de situatie kreeg en het gesprek op gang kwam.

Een paar weken later Whatsappte ik met de man van het stel. We hadden het over een vriendin van hem. ‘Haar vriend is ook erg leuk!’ schreef hij. ‘Anders nodigen we jullie vier een keer uit om pannenkoeken te komen eten?’ ‘Ah,’ antwoordde ik, terwijl mijn angst voor burgerlijkheid, ouder worden en de dood weer over mijn ruggengraat omhoog begon te klimmen. ‘Een goed moment voor partnerruil!’ Het feit dat ik dezelfde matige grap eruit gooide, geeft aan hoezeer het een onvrijwillige reflex is. Mijn vriend stuurde terug: ‘Dat is nu al de tweede keer dat je daar over begint. Doen jullie daar aan?’

Zonder een moment te aarzelen stuurde ik terug: ‘Ja hoor, wij swingen, wij swingen.’ Deze jongen was iemand die van kwinkslagen houdt. Met zijn pretoogjes, zijn neurotische voorkomen en zijn van ironie doorspekte stem, dacht ik eerlijk gezegd dat bijna alles wat hij zei een grap was. Het spel was begonnen.

‘Hoe gaat dat in zijn werk?’ vroeg hij gretig.
‘Er is een Facebookgroep met een aantal stellen. Wie zin heeft maakt eenevent aan en dan kun je je aanmelden.’ Het verbaasde me hoe vloeiend de verzinsels uit mijn driftig typende duim stroomden.

‘Wat klinkt dat formeel,’ zei hij. ‘Wij doen ook weleens dat soort dingen, maar dan gebeurt het toch meer spontaan. En is het niet gek dat het vreemden zijn?’
‘Het zijn geen vreemden. Het zijn… kennissen.’
‘Wij doen het toch eerder met vrienden. Dat voelt vertrouwder.’ Ik lachte om zijn tegenspel. Eigenlijk is zo’n potje bullshitten via Whatsapp veel leuker, dacht ik – je hoeft je lachen niet in te houden.

Daarmee was de grap voor mij wel klaar. Maar een paar dagen later kreeg ik toch weer een bericht van hem. ‘Rutger, ik brand van nieuwsgierigheid. Mag ik nog wat vragen?’ Ik schudde mijn hoofd. Wat een volhouder. Nu kon ik natuurlijk niet afhaken. Ik vertelde mijn vriendin die op dat moment naast me zat over de grap. Ze zei direct: ‘Ik ga geen seks hebben met hem hoor! Dat wil ik helemaal niet.’

Mijn vriendin houdt niet van spelletjes; of eigenlijk kan het haar gewoon niet schelen wie er wint. Tijdens Risk gooit ze nonchalant met de stenen en accepteert het lot gelaten. Ik moet koste wat het kost winnen. Dus zei ik tegen haar: ‘Luister lief, ik ga dit niet opgeven. We gaan hiermee door tot het bittere eind, desnoods tot vlak voor ik Sacha begin te beffen, zodat ik dan tussen haar benen vandaan kan komen met een triomfantelijke gezichtsuitdrukking. In het ergste geval moeten we ze neuken. Alles voor de grap schatje, alles voor de grap!’ verkondigde ik met bloeddoorlopen ogen. Mijn vriendin keek me bezorgd aan.

De vriend vroeg: ‘Ik ben wel nieuwsgierig. Kunnen wij ook eens meedoen?’
‘Ja hoor, natuurlijk,’ nam ik de uitdaging direct aan. ‘Kunnen jullie dit weekend?’ Ik wilde door zijn bluf heen prikken. ‘Dat moeten we even overleggen als onze dochter in bed ligt.’ Ja hoor gast, dacht ik. Beetje zwak om je dochter er bij te halen. Hij zat vast. Nu moest ik de genadeklap geven. ‘Jullie zijn geen echte swingers denk ik,’ typte ik koortsachtig.

‘Dat klopt, bij ons is het meer spontaan. Zoals laatst, toen een ex van mij kwam eten en het al snel uitmondde in meer.’
Uit welke Penthouse had hij dat verhaal nu weer gestolen?
‘Maar vertel eens,’ kaatste hij de bal terug, ‘hoe dan jullie dat qua planning? Wat als een van jullie niet kan?’

Dit werd me veel te serieus. Ik begon mijn controle over de grap te verliezen, dus besloot ik volledig over the top te gaan, een nieuwe dimensie te creëren waarin ik weer de baas was. In een impuls trok ik mijn broekband naar voren en maakte met mijn telefoonflits een foto van mijn penis. Je zag vooral veel onderbuik, enkele oplichtende haren en beneden in de diepte mijn slappe piemel, die kwaad zijn blik afwendde, alsof hij wilde zeggen: ‘Dude, hou me hierbuiten.’ Zonder na te denken stuurde ik het kiekje op.

Illustratie: Robert van Raffe

‘Hahaha is dat je lul?’ schreef de jongen. ‘Ja,’ tikte ik, ‘laat maar aan Sacha zien. Als voorproefje.’ Nu had ik hem. Dat kon niet anders. Maar ook hij bleef in zijn rol: ‘Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt,’ zei hij op zijn gebruikelijke ironische toon, ‘maar blijkbaar is dat in jullie kringen gebruikelijk.’ Kut. Hij was een betere speler dan ik dacht.

We moesten nu doorgaan. Bij poker heb je een term voor deze situatie. Als je tijdens een speelronde blijft bluffen, kun je niet meer opgeven, ook al zijn je kaarten nog zo slecht. Je bent pot-committed: je hebt zoveel ingezet dat stoppen minder voordelig is dan doorgaan tot het gênante moment dat je je miezerige kaarten op tafel moet leggen. Je hebt geen keuze meer. Je bent slaaf van je eigen leugen geworden.

Toen ik een week later in de sportschool in een of ander absurd apparaat een onnatuurlijke beweging aan het herhalen was, kreeg ik weer een berichtje. ‘Hoe doen jullie dat eigenlijk met jaloezie? Dat is voor ons het lastigste, dat ik moet accepteren dat Sacha soms bij een ander is.’

Dit werd veel te serieus en dramatisch. Ik koos weer voor een absurde wending. ‘Ja, daar hebben wij soms wel last van,’ typte ik, ‘maar dan neukt zij me even een uur in mijn reet met een voorbinddildo en dan gaat het wel weer.’ Toen belde hij me op.

‘Hallo?’
‘Hé, wat is dit nou zeg?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Maak je nou een grap? Zit je me nou gewoon te fucken?’

Ik twijfelde. Maar er was iets aan zijn toon. Nee, natuurlijk was hij niet serieus. Hij was slimmer dan ik dacht. Hij probeerde het om te draaien, mij boos te beschuldigen van een grap om dan vervolgens na mijn geschrokken bekentenis te zeggen: ‘Ah daar heb ik je!’ Het enige wat ik kon doen, was de situatie nóg een keer omdraaien.

‘Ik vind dit erg vreemd,’ zei ik.
‘Wat?’
‘Ik vertel jou allemaal persoonlijke dingen, en dan ga je mij ervan beschuldigen dat ik een grap maak? Dat is gewoon een belediging.’
‘Ja, maar kom op: een uur in je reet met een voorbinddildo…’
‘Nou goed, laat het dan drie kwartier geweest zijn, maar dat doet niets af aan de feiten. Het is gebeurd en ik deel dat met jou, als vriend.’
‘God, als je het zo stelt… Sorry. Waar ben je eigenlijk?’
‘In de sportschool. Want als je er dit soort hobby’s op nahoudt, moet je wel een beetje in vorm blijven.’

We hingen op.

Er gingen weken voorbij. We maakten een afspraak voor een avond waarop het zou gaan gebeuren, waarop we van partner zouden gaan ruilen. Maar ik wist dat mijn vriendin die dag in het buitenland zou zijn. Toen ik afzegde, zei mijn vriend: ‘Laten wij die middag wel samen wat drinken.’

We spraken af op een bankje in het park. Het was augustus, hij zweette flink. Opeens zag ik hem met zijn zweterige lijf boven mijn tere vriendin hangen. Ik schudde de gedachte van me af. Het was nu echt mooi geweest, besloot ik. Zelfs voor een legendarische grap begon het nu uit de hand lopen. Ik begon direct zenuwachtig te ratelen. Al snel onderbrak hij me: ‘Dat is allemaal leuk en aardig. Maar je weet waar ik het over wil hebben. Jullie hobby. Ik heb zoveel vragen.’ Hij stak een joint op om zijn opwinding te temperen.

Ik staarde naar de grond. Er liepen zomerblije mensen aan ons voorbij, ik hoorde het vrolijke gekraai van spelende kinderen. Toen schraapte ik mijn keel en keek hem aan. ‘Laten we hier nou maar mee stoppen. Het was leuk, maar het heeft nu wel lang genoeg geduurd.’ Het bleef even stil. Hij keek me uitdrukkingsloos aan. Doordat hij stoned was, twijfelde ik of hij me wel gehoord had. Toen zei hij met trillende stem: ‘Nee. Dit ga je niet doen hè.’

‘Oh shit,’ zei ik, ‘hier was ik al bang voor.’ Hij bracht zijn handen naar zijn slapen en begon zichzelf met een draaiende beweging te masseren, alsof hij de gebeurtenissen van de afgelopen weken nog eens voor zijn ogen wilde afspelen. Toen keek hij me aan en zei half verwijtend en half wanhopig: ‘Maar… ik heb je gevraagd of het een grap was! Dat is de regel, dan moet je het toegeven.’

‘Ik weet het,’ antwoordde ik zachtjes. ‘Maar ik dacht dat jij ook een grap maakte, dat we lak hadden aan de regels, dat we bezig waren met een grote wedstrijd…’ We zwegen weer, allebei verzonken in onze eigen verwarring, schaamte en boosheid.

‘Ik dacht echt dat ik met je vriendin naar bed zou gaan,’ stamelde hij. Ik schudde mijn hoofd. ‘Wij doen dat überhaupt niet. Het heeft er niets mee te maken dat we jullie niet aantrekkelijk vinden.’ Hij keek geschrokken op. ‘Ofwe jullie aantrekkelijk vinden, bedoel ik. We zijn gewoon laf. Heel laffe, burgerlijke mensen die dat niet durven. Ik bewonder jullie.’

Mijn vriend was nog altijd in shock. ‘Ik ben gaan hardlopen om af te vallen. Jij zei dat je in vorm moest blijven voor dit soort hobby’s.’ ‘Nou, dat is toch een geluk bij een ongeluk?’ probeerde ik, maar hij reageerde niet. Ik bedacht dat de verhoudingen nu volledig scheef waren gegroeid: ik wist van alles over zijn relatie, terwijl hij alleen maar leugens van mij had gekregen. Dus begon ik van alles op te biechten, over de rare porno die ik soms kijk, fantasieën die ik koester.

Hij legde uit dat ze geen open relatie hadden, maar juist een gesloten relatie. ‘We vertrouwen elkaar zo erg, dat we elkaar los durven te laten.’ Ik zei zeker zes keer dat ik dat erg mooi vond.

Later, in het café, werden de stiltes steeds langer. Ik durfde geen grap meer te maken en voelde me machteloos. Een keer keek hij op van zijn bier en vroeg met de ontroerende vasthoudendheid van een gedesillusioneerd kind: ‘Maar hééft zij dan ook geen voorbinddildo?’ Ik schudde van nee. We namen al snel afscheid.

Het is min of meer goed gekomen tussen ons. Ik heb nog een keer pannenkoeken voor ze gebakken: ze waren behoorlijk goed gelukt. Er werden een paar grapjes over ‘de grap’ gemaakt. Sacha zei: ‘We kennen elkaar gewoon niet zo goed. Jullie dachten van ons: dat zullen zij wel nooit doen. En wij dachten van jullie: misschien doen ze dat wel.’ Mijn arme vriendin, het grootste slachtoffer, knikte begrijpend. Ik wist dat het beeld van het kleine, lieve meisje met een enorme voorbinddildo nooit meer uit de hoofden van onze gasten zou verdwijnen.

Natuurlijk ben ik stiekem wel benieuwd naar orgies, hoewel ik weet dat ik er in de praktijk veel te laf en onzeker voor zou zijn. Daarom maak ik grapjes. En ergens diep vanbinnen wist ik natuurlijk wel dat het mis zou gaan met ons spel. Anders was het niet zo’n goed verhaal geweest.

Interview: Etgar Keret

Etgar Keret (Tel Aviv 1967) is een van Israels grootste schrijvers. Zijn bundels met korte magisch-realistische verhalen worden volgens hemzelf in ‘McDonald’s-aantallen’ verkocht en hij won alle grote literaire prijzen. Met name voor de jongere generatie Israeli is hij een grote held, omdat hij hun fantasie aanspreekt zonder zweverig te worden. Ook in het buitenland wordt hij zeer gewaardeerd: zijn werk werd in 29 talen vertaald en gepubliceerd in The New York Times, Le Monde en The Guardian. De verhalen zijn veelvuldig verfilmd en in 2009 ontving de door hem geregisseerde film ‘Jellyfish’ de Camera d’Or in Cannes. Nu heeft hij eindelijk weer een nieuwe bundel uit: “Plotseling, een klop op de deur”. Een gesprek met een praatgraag jongetje van 43 over het vertellen van verhalen, maar ook over het intrappen van deuren. “Mijn verhalen lijken willekeurig, maar ze zeggen veel over het leven.”

Verandering
“Een mens is geen schroevendraaier. Je kunt niet zeggen: hij functioneert niet.”

“Ik heb voor het eerst in meer dan acht jaar weer iets geschreven. Het was ontzettend moeilijk. De afgelopen jaren ben ik getrouwd, heb een zoontje gekregen en een hypotheek genomen. Dat zijn allemaal dingen die ik nooit eerder meemaakte en mijn personages ook niet. Dus toen ik begon te schrijven, voelde ik dat ik voor het eerst echt ver van mijn personages af stond. Ik schreef over mensen die ik zelf niet meer was, een heel vervreemdende en frustrerende ervaring. Toen ik onlangs weer begon en mezelf weer kon uitdrukken in mijn verhalen, voelde dat als een enorme opluchting. De meeste mensen die het lezen zijn enthousiast, maar ze zien de verandering niet. Terwijl het voor mij een enorm ander werk is dan wat ik eerder heb geschreven.

Ik ben altijd voor een deel een kind gebleven, juist in mijn schrijven. Dat was het perspectief waar ik me het meest op mijn gemak bij voelde. Bij het schrijven van deze bundel draaide het zich om: ik begreep de volwassenen beter dan de kinderen. Hoewel ik nog steeds een bepaalde gevoeligheid heb voor hoe kinderen denken.

Laatst was ik bijvoorbeeld met mijn gezin in een winkelcentrum, en mijn zoontje vroeg of hij naar wat etalages mocht gaan kijken. Wij zeiden: natuurlijk, ga je gang. Maar op het moment dat hij vertrok, zei ik tegen mijn vrouw: hij gaat naar de roltrappen. Zij zei: hoezo, hij vroeg of hij naar de etalages mocht. Maar ik legde haar uit dat de etalages saai zijn, terwijl de roltrap iets elektronisch is dat op en neer gaat, dat is veel leuker. Dus loog hij. En inderdaad, hij rende direct naar die roltrappen.

Is mijn leven nu beter of slechter? Saaier? Een mens is niet functioneel. Bij een schroevendraaier kun je zeggen: daarmee draai ik schroeven in. Als hij stuk is, gooi je hem weg. Maar mensen hebben geen nut. Kijk, ik zou niemand aanraden om een hypotheek of een vaste baan te nemen, zoals ik heb gedaan. Als je me tien jaar geleden had verteld dat mijn leven zo zou zijn, zou dat als de dood hebben gevoeld. Maar zelfs nu ik een vaste baan bij de universiteit heb, ben ik niet een saai werkpaard geworden. Ik ben nog steeds dezelfde verneukte gast die ik altijd was, maar nu geef ik college. Situaties veranderen snel, maar je verandert zelf nauwelijks.

Mijn broer maakte laatst een grappige observatie. Hij zei: je eerste verhalen vinden allemaal plaats in de bus, daarna was het vervoermiddel altijd de taxi en in je laatste boek zitten je personages steeds in het vliegtuig. Je ziet echt mijn socio-economische ontwikkeling terug in mijn boeken, haha. Misschien dat mijn volgende verhalen plaatsvinden in een privéjet.

Maar dit betekent niet dat de angsten of problemen veranderen of ook maar makkelijker worden. Het verschil tussen een irritatie in een bus en een vliegtuig is niet zo groot. Misschien is het soms zelfs moeilijker. Als ik in Tel Aviv naast een Poolse jood zat die constant scheten liet, kon ik uitstappen. Nu zit ik naast een of andere stinkende Duitser in het vliegtuig, en kan ik geen kant op.”

Hoe een verhaal ontstaat
“Mijn vrouw dacht eerst dat ik een pathologische leugenaar was.”

“Laatst zag ik een man bij een bushalte die een beker koffie in zijn hand en een krant onder zijn arm had. Elke keer als hij een slok nam, viel die krant op de grond. Het maakte me echt verdrietig. Toen ik erover aan mijn vrouw vertelde, zei ze: “Wat een sukkel, waarom legt hij die krant niet even weg.” Ik zei: nee nee, daar gaat het niet om. Zo beginnen verhalen: het is een poging om voor jezelf te verwoorden waarom er iets in een moment is dat willekeurig lijkt, maar toch iets over het leven zegt.

In mijn nieuwe bundel is er een verhaal getiteld ‘Gezonde Start’. Ik was in Duitsland en ik zou in een café in Berlijn een afspraak met mijn uitgever hebben. Maar toen ik daar was, realiseerde ik me dat ik geen idee had hoe hij er uit zag. Dus ik ging zitten en even later kwam er een man binnen, die mij vragend aankeek, dus ik gebaarde dat hij moest gaan zitten. Hij zei: “Ik heb je e-mail gelezen en er over nagedacht.” Ik dacht: wat valt er na te denken? Ik mailde gewoon dat ik in Berlijn was. Maar ja, hij is Duits en Duitsers zijn vreemde mensen, dus oké. Hij vervolgde: “600.000 is te veel. Ik denk dat het 400.000 moet zijn, met een optie op de diamanten, die ongeveer 80.000 waard zijn. En over twee jaar krijg je die extra 85.000, dus dan heb je een goede prijs. Ik denk echt niet dat je een betere prijs kunt krijgen.” Ik zei: “Ben jij Georg?” Hij zei: “Nee. Ben jij Neill?” Ik zei: “Nee!” Toen kwam mijn uitgever binnen.

Maar op mijn hotelkamer dacht ik: wat een slechte deal! 400.000 met een optie op de diamanten? Geef me de diamanten en een optie op de 120.000 die ik misloop! Hier kwam een verhaal uit voort over een jongen met wie het niet goed gaat en die heel eenzaam is. Dus gaat hij in een café zitten en wenkt alle mensen die zoeken naar iemand die ze niet kennen. Zo leeft hij een oneindige hoeveelheid levens.

Dat soort dingen overkomen mij voortdurend. Toen mijn vrouw met me begon te daten, zei ze tegen haar beste vriendin: ik heb een jongen ontmoet en hij is echt heel leuk, maar ik weet niet of ik hem kan blijven zien, omdat hij een pathologische leugenaar is. Mijn familie alleen al is een verzonnen verhaal. Mijn broer is een linkse activist die in een boomhut in Thailand woont, wiens vrouw een bekende pornofilmrecensent is. Mijn zus is een ultraorthodoxe Jood geworden, die mijn boeken niet mag lezen van haar geloof. Ik heb een vader die zich na het overleven van de Holocaust voornam om elke zeven jaar van beroep te veranderen zodat hij zoveel mogelijk levens kon leiden.

Goede verhalen zitten in mijn familie. Ook hoe mijn ouders elkaar ontmoet hebben bijvoorbeeld. Mijn vader was op dat moment voorman bij het bouwen van huizen, hier in Tel Aviv. Na elk project kreeg hij in cash betaald, maakte het op aan drank en feesten en begon weer aan een nieuw project. Het was een erg vrolijke man. Hij ging een keer met dat geld naar een Roemeens restaurant met een vriend en ze werden erg dronken. Er speelde een zigeunerband en de sfeer was goed.

Op een gegeven moment ging zijn vriend naar huis. Mijn vader was alleen met die band in het restaurant en de eigenaar zei: ik wil gaan sluiten, kunt u weggaan. Dus mijn vader zei tegen die band: willen jullie mijn privéband voor de avond zijn? Ze gingen akkoord en vertrokken al spelend naar het strand. Hij zei: speel een sentimenteel liedje. En dat deden ze, er was een man die prachtig viool speelde, met een aapje op zijn schouder.

Opeens moest mijn vader enorm plassen. Dus hij zocht een muur op en vroeg aan de band: kunnen jullie blije plasmuziek spelen? En zij zeiden: natuurlijk, we zijn zigeuners, dat kunnen we heel goed. Na vijf minuten kwam er een politieauto aan en begonnen ze iedereen te arresteren. Mijn vader had het niet door omdat hij dronken was, maar hij stond tegen de Franse ambassade te plassen. Met de band erbij dachten mensen dat het een soort protest tegen Frankrijk was.

Ze stopten mijn vader in de auto en hij verzette zich niet. Maar de zigeuners werden kwaad en begonnen te vechten, het aapje sprong op een politieman, het was chaos. Dus mijn vader raakte verveeld en stapte uit de auto om een sigaret te roken. Toen zag hij in de verzamelde omstanders een mooi meisje staan. Hij liep op haar af en zei: hallo, ik ben een politieagent. Heeft u gezien wat hier gebeurd is? Ze zei: nee, ik kom net aanlopen. Hij zei: ik moet toch uw gegevens hebben, als getuige. Ze schreef alles voor hem op en op het moment dat ze de pen terug wilde geven, sprongen er twee politiemannen boven op mijn vader en werd hij afgevoerd. Mijn moeder kwam thuis en zei tegen haar huisgenoot: ik heb mijn gegevens aan een psychopaat gegeven! Ik moet verhuizen! Nadat mijn vader was vrijgelaten heeft hij mijn moeder twee maanden lang gebeld om haar ervan te overtuigen dat hij niet gevaarlijk was. Het leven van mijn ouders was een sprookje.

Zo ben ik ook opgevoed. De levenservaring van holocaustoverlevers is onvoorstelbaar. Mijn moeder is opgegroeid in het Warschaughetto, ze zag haar moeder en jongere broertje voor haar ogen vermoord worden en later verloor ze ook nog haar vader. Daar wordt je enorm treurig van, maar ook op een vreemde manier optimistisch. Mijn moeder was een kind tijdens de Tweede Wereldoorlog. Haar enige ervaring met het leven was dat iedereen elkaar wilde doden of bestelen. Het is alsof iemand zegt: hier is een fucked up leven, veel succes. Maar na ‘45 werd alles beter. Mijn moeder zit dus in een opgaande curve, zoals ze zelf altijd zegt. Ze zit telkens te wachten tot het weer wat beter wordt, want zo gaat het in haar leven. Dat is het voordeel van zo’n slechte start.

Mijn opa en oma vertelden altijd verhalen voor het slapen gaan, die ze compleet verzonnen, omdat ze zich geen boeken konden veroorloven. Mijn ouders deden dat ook bij ons. Voor hen was voorlezen uit een kinderboek hetzelfde als naar McDonald’s gaan: lui ouderschap. Mijn moeder vertelde altijd mooie verhalen over eenhoorns en heksen. Maar mijn vader vertelde altijd over dronkaards en hoeren, ook toen ik vijf was en nog niet begreep wat dat was. Dat waren agressieve verhalen, maar met veel optimisme en compassie. Dat zie je terug in mijn werk. Mijn karakters zijn bijna nooit aardig, maar ze kennen empathie. Als je de weg aan ze vraagt, zouden ze je helpen. Het leven is een mix van de realiteit en jouw perspectief. Voor mijn vader was de realiteit heel hard, maar zijn perspectief vol compassie.

Waarom schrijf ik verhalen? Mensen zijn als ongelofelijk ingewikkelde elektronische apparaten, maar dan zonder gebruiksaanwijzing. Ze gebruiken elkaar zonder dat ze echt snappen wat ze doen. Ze snijden hun schnitzel met dat apparaat of gebruiken het om de deur op een kier te houden. Ik zeg daarentegen: ik weet ook niet hoe de mens precies werkt, maar ik denk dat we er meer mee kunnen. Als schrijver probeer ik dat rare apparaat te pakken en willekeurige knoppen in te drukken om te zien wat er gebeurt, zonder dat ik verwacht dat ik die handleiding ga schrijven. Het leven gaat er niet om dat je een broodje besteld, de ober een pasta brengt en jij dan zegt: laat maar, ik eet de pasta wel. Dat is niet de essentie van het leven. Maar het zijn wel de contouren van die essentie en dat probeer ik te laten zien. Het gaat niet om situaties, maar als ik ze heel goed beschrijf, lukt het me misschien om er toch iets mee te zeggen.”

Wonen met Keret
“Mijn superkracht is dat ik precies kan aanvoelen wanneer iemand moet plassen.”

“Mensen denken vaak dat ik heel makkelijk in de omgang ben, dat is niet zo. Maar ik ben wel attent. Alleen dan weer zo attent dat het irritant wordt. Ik heb hier altijd ruzie met mijn vrouw over. Iedereen heeft een superkracht en die van mij is dat ik precies kan aanvoelen wanneer iemand moet plassen. Ik reis altijd per taxi en het kwam best vaak voor dat zo’n man me thuis afzette en ik hem aankeek, even wachtte en vroeg: “Moet je naar de WC? Dat kan bij mij binnen als je wil.” En hij zei dan: “Graag, hoe wist je dat?” Mijn vrouw vindt dat verschrikkelijk, zo’n vreemde vent in huis. Maar ja, waar moeten ze anders plassen? In hun kofferbak?

Ik ben lief op een megalomane manier. Mijn telefoonnummer staat gewoon in het telefoonboek, dus mensen bellen me best vaak op. Op een gegeven moment belde er een jongen van 17 die zei: ik ben morgen jarig en alle kinderen in mijn klas haten me, dus niemand gaat naar mijn feestje komen. Maar als u als beroemdheid nou komt, dan komen de kinderen vast wel. Dus ik zei: oké. Hij woonde behoorlijk ver weg, ik heb geen auto dus ik moest drie kwartier met de bus reizen. Die jongen was niet eens aardig, ik begreep wel waarom de rest van de klas hem niet mocht. Dus daar stond ik dan. Te praten met zijn moeder, een heel irritante vrouw. En de kinderen waren tieners, dus ze negeerden mij omdat ik toch een soort ouder ben. Het is niet dat ik dat leuk vind, snap je? Maar ik moet wel. Ik heb ergens het gevoel dat ik verantwoordelijk ben voor alles op deze aarde. Daar heb je niets aan.

Ik ben ook heel erg koppig. Een tijdje geleden was ik in New York en had geblowd met een vriend. We besloten om naar een Italiaans restaurant te gaan. Ik bestelde een macaroni met kaas. De ober zei: “Het spijt me, maar dat staat niet op ons menu.” Ik zei: “Mag ik u een paar vragen stellen?” Hij zei: “Natuurlijk.” Ik zei: “Verkoopt u macaroni?” “Ja.” “Heeft u kaas?” “Ja.” Dus ik zei: “Zou u alstublieft wat macaroni in kokend water kunnen gooien en het op een bord kunnen serveren, met wat kaas eroverheen?” Hij zei heel passief agressief: “Meneer, het staat niet op het menu. Kunt u iets van het menu bestellen?” Dus ik zei: “Laat me het anders formuleren.” Hij werd steeds geïrriteerder. Ik zei: “Hoe vaak in uw leven heeft u de kans gehad om iemand oprecht gelukkig te maken, waarna u dat weigerde?” We keken elkaar een moment intens aan en toen zei hij: “Een macaroni met kaas voor meneer.” Het is een kwestie van verhalen vergelijken. Hij zegt: ik werk in een restaurant met een menu en regels en elke keer komen er irritante mensen binnen die allerlei rare bestellingen doen. Maar ik zeg: je hebt een restaurant waar je eten verkoopt waar mensen van genieten, dus fuck de regels. Hij zei in feite: jouw verhaal is beter.

Politiek
“Het is enorm zwaar om elke dag weer te doen alsof je leven normaal is.”

“We wonen op een heel erg moeilijke, deprimerende plek. Ik ontmoette gisteravond een Amerikaan en die zei tegen mij: “Ik hoor altijd over Israel dat het zo’n treurig land is, maar het is net zoals overal. Aardige mensen en een prettige sfeer.” We stonden in de rij voor een buffet en ik zei tegen hem: “Er is een verschil tussen deze rij en een rij in New York of Boston. Als je aan al deze mensen zou vragen: ‘Ben je wel eens naar de hoeren geweest?’ zou je hetzelfde antwoord krijgen als in Amerika. Maar als je zou vragen: ‘Heb je wel eens iemand gedood? Ben je wel eens in een levensgevaarlijke situatie geweest?’ zal in Israel bijna iedereen zijn of haar hand opsteken.” Hier kijken mensen ook uit naar het weekend, maken ze reizen naar Australië en gaan ze naar de hoeren. Maar ze hebben altijd een soort afgezonderde kant. Jongens van 20 leren in het leger om mensen neer te schieten met een sniper rifle, maar kopen geen producten uit China omdat ze tegen de bezetting van Tibet zijn. Het zijn dit soort tegenstellingen die een enorme emotionele druk op je zetten. Het is niet eens de druk die militaire situaties met zich meebrengen. Het is enorm zwaar om die agressie in toom te houden, om elke dag weer te doen alsof je leven normaal is.

Ik had ooit een vriendinnetje die zich tijdens ruzies opsloot in de badkamer. Ik stond daar dan en zei: “Doe de deur open, kom op!” Een Nederlandse man zou dat ook doen. Maar het verschil is dat ik in het leger precies geleerd heb hoe ik een deur moet opentrappen. Wanneer ik zeg: “Doe de deur open alsjeblieft,” dan doe ik alsof ik niets kan doen, terwijl een Nederlandse man echt niets kan doen. Het is net als plaatjes op verpakkingen die er nooit uitzien als wat er in zit.

Ik denk dat een probleem van de politiek is dat ze alles dehumaniseren. Mensen denken dat empathie hun standpunt verzwakt, terwijl ik juist denk dat het andersom werkt. Ik probeer mensen een gezicht te geven. Als ik een stuk schrijf over een kolonist die verrassend genoeg heel gevoelig blijkt te zijn, dan betekent dat niet dat ik voor nederzettingen ben, maar wel dat je normaal kunt omgaan met mensen met wie je het politiek oneens bent. Een paar jaar geleden namen de mensen die tegen de ontruiming van nederzettingen waren, de symbolische kleur oranje aan. Mijn favoriete shirt was oranje. Dus ik werd voortdurend gefeliciteerd of uitgescholden. Dat vind ik het ergste, als je persoonlijkheid wordt afgenomen ten behoeve van een politieke stroming of statement. Je kunt niet meer gewoon een shirt dragen omdat je het mooi vindt.

Begrijp me niet verkeerd, er is natuurlijk wel iets aan de hand. Ik ben zelf ook met een mes bedreigd door een gestoorde moslimfundamentalist die me wilde doden. Ik heb gezien hoe soldaten mensen vernederden bij een checkpoint. Er zijn een miljard moslims in de wereld die tegen mijn bestaan zijn. Alle landen in de regio willen ons weg hebben. Dat is een reële angst, die je elke dag weer ervaart. Dat zullen mensen in Finland of Nederland nooit begrijpen. Toch zal ik dat nooit als excuus voor simplificatie gebruiken.”

(Verschenen in Vrij Nederland, 2011)

 

Essay: I won’t be there for you

Ik heb elke aflevering van Friends en Sex and the City zeker vier keer gezien. Phoebe, Mr. Big en Joey hebben me door mijn tienerjaren geholpen en ook daarna bleven ze me vermaken. Elk probleem bespraken ze samen, de personages uit mijn favoriete series, en als ze elkaar nodig hadden waren ze er altijd voor elkaar. Het ideaal van de vaste vriendengroep, bestaande uit verschillende typetjes met een perfecte onderlinge chemie, plantte zich in mijn onderbewustzijn. Ik wil dat nog altijd: deel uitmaken van een hechte groep vrienden, het liefst met een vast café.

De laatste tijd hoor ik steeds meer kritiek op deze iconen van de jaren negentig. In de tv-serie The Newsroom raast een natgeregende verslaggever, Maggie, tegen een bus vol toeristen op Sex and the City-tour: ‘Ik ben een typische single vrouw in New York! Ik ga níet op hoge hakken naar mijn werk! Mijn beste vriendin is níet op woensdagmiddag beschikbaar om over mannen te praten!’ Op internet vind ik artikelen als ‘17 manieren waarop Friends ons onrealistische levensverwachtingen bezorgde’ (‘Friends leerde ons dat we de hele dag in het café konden zitten én tegelijk een fulltime baan konden hebben.’). De woede is groot: we lijken massaal teleurgesteld te zijn door de televisievrienden uit onze jeugd.

Zo gek is dat niet. De emoties in Friends waren zeer herkenbaar: als je verliefd was op je beste vriendin begreep je precies wat Ross voor Rachel voelde, en ook de liefdesdrama’s van Carrie leken uit ons leven gegrepen. De rest van deze fictieve werelden leek daardoor ook een eerlijke weergave van de werkelijkheid. Maar toen we zelf ouder werden, uit huis gingen en ons eigen geld moesten verdienen, bleek het toch wat moeilijker te zijn om midden in de stad een groot appartement te vinden, talloze aantrekkelijke vrijgezellen te ontmoeten, het ene paar Manolo Blahniks na het andere te kopen en elke dag met je vrienden te hangen. Men spreekt al van het ‘Carrie Bradshaw-syndroom’ en het ‘Ross en Rachel-complex’ als het op onze verwachtingen over liefde aankomt. Maar hoe zit het met het ideaal van de vriendengroep?

In de glossy Harper’s Bazaar verdedigde hoofdrolspeler Sarah Jessica Parker onlangs het beeld van saamhorigheid dat geschetst werd in Sex and the City. ‘Volgens mij waren Carrie, Charlotte, Miranda en Samantha écht lief voor elkaar,’ zei ze. Tegenwoordig zijn vriendinnen op televisie volgens Parker gemener, en dat bevalt haar niet. Columniste Radhika Sanghani reageerde in de Britse krant The Daily Telegraph met een stuk getiteld ‘Sarah Jessica Parker: echte vriendinnen zijn bitches. En dat is oké.’ Ze schreef: ‘De pijnlijk perfecte vrouwen in SATC, die ook nog eens ‘echt lief’ voor elkaar waren, hebben me een levenslang complex bezorgd.’ Ze beschreef hoe haar eigen vriendinnen haar tijdens een crisis slechts met een smsje steunden en nooit spontaan voor de deur stonden. ‘Na het kijken van een aflevering van SATC veranderde ik steevast in een hoopje ellende. Ik voelde me belabberd over het feit dat ik niet een groep aantrekkelijke, emotioneel beschikbare vriendinnen had gevonden.’

Dat gevoel ken ik maar al te goed. Sinds ik mijn beste vrienden op de middelbare school leerde kennen, ben ik eigenlijk elke dag teleurgesteld in ze geweest. Na ons eindexamen was iedereen steeds meer met zichzelf bezig. Dankzij veeleisende vriendinnetjes, studies, carrières en andere zorgen hadden we weinig aandacht voor elkaar en was er al snel geen sprake meer van een homogene groep. Dit voelt nog steeds als falen, zeker als ik alleen thuis ben. Misschien zitten de anderen nu wel samen in een koffietentje en zijn ze mij vergeten te sms’en, denk ik dan, als een jaloerse minnaar. Als het dan toch lukt om een gezamenlijke afspraak te maken, ben ik zo druk bezig om de sfeer erin te houden dat de avond onvermijdelijk tegenvalt. Dit overkwam mijn favoriete New Yorkse vrienden nooit. Ze hadden soms misschien ruzie, maar dat duurde hooguit een aflevering.

Aan de andere kant: is het niet heel egocentrisch om zoveel van mijn vrienden te eisen? Laatst zei een vriendin tegen mij: ‘Als jij een crisis beleeft, moeten al je vrienden voor je klaarstaan op de manier die jij voor ogen hebt. Alsof we in jouw film spelen. Maar zo werkt het niet.’

De maatschappij lijkt zich ook de tegenovergestelde kant op te bewegen. Door de individualisering doen we minder aan groepsvorming dan ooit. Journalist Neal Gabler noemde zulke series in de LA Times dan ook “pure wensdromen”, voortkomend uit de toenemende eenzaamheid. We gaan steeds meer sociale relaties aan, maar die vinden vaak online plaats en zijn daardoor onvermijdelijk oppervlakkiger. Anderen spreken zelfs over ‘friendship porn’: je zit alleen thuis te kijken naar hoe anderen wél gezellig samen koffie drinken.

Socioloog Beate Volker doet onderzoek naar sociale relaties aan de Universiteit van Amsterdam. Ze zegt: ‘Als je dagelijks zes vriendschappen moet onderhouden, kun je toch nauwelijks nog werken?’ De hechte vriendengroep, zegt ze, is een mythe. ‘Meestal heeft men rond de drie goede vrienden en die spreekt men zelden tegelijkertijd.’

In SATC en Friends kwam familie nauwelijks voor. Het is geen toeval dat mijn verlangen ernaar ontstond in de puberteit, toen ik streed met mijn ouders. Zoals Carrie in SATC zei: ‘Soms krijg je een familie door het lot, en soms kies je ze zelf.’ Volker: ‘Dat klopt wel enigszins. Mensen krijgen later kinderen, blijven langer vrijgezel en wonen steeds vaker in steden, ver weg van het thuisfront.’ Zo ontstaan zogeheten ‘urban tribes’: sociale netwerken die niet gebaseerd zijn op bloedverwantschap. Maar de stadsstam kent zijn beperkingen, zegt Volker: ‘Bij een echte crisis, zoals een langdurige ziekte, zijn het vaker de partner en de familie die helpen. Die loyaliteit zit dieper. Vrienden gaan na verloop van tijd verder met hun eigen leven.’

‘O zorgeloze jaren ’90, toen niets er echt toe deed behalve je Friends’ schreef journaliste Nina Polak op website De Correspondent. Ze citeerde een tv-recensent van de New Statesman: ‘Friends is about the last moment before everything went wrong.’ Pas na Friends – begonnen in 1994 – ging het voor onze generatie allemaal mis: de aanslagen op het WTC sloten de jaren negentig af, zeven jaar later gevolgd door een van de grootste economische crises uit de geschiedenis. Logisch dat mijn vrienden steeds minder tijd hebben om af te spreken. Ze proberen wanhopig hun carrière veilig te stellen of zijn herstellende van een burn-out.

Sarah Jessica Parker zei in eerder genoemd interview in Harper’s Bazaar: ‘Het klinkt misschien gek, maar ik denk dat het toen een onschuldigere tijd was.’ Beate Volker vult aan: ‘De makers van Friends en SATC zoomden in op één aspect van vriendschap: het praten over persoonlijke probleempjes. Dat is weliswaar belangrijk, maar het past ook bij de weelde van de jaren negentig, toen er veel nadruk op persoonlijke ontwikkeling lag.’

Nu zijn de problemen rauwer. In 2012 begon de serie Girls met een scène waarin de ouders van Hanna (Lena Dunham) haar tijdens een lunch vertellen dat ze haar niet langer financieel ondersteunen. En dat terwijl Hanna een onbetaalde stage doet om érgens aan de bak te kunnen. Radhika Sanghani haalde in haar boze column Girls aan als een serie die naast de echte zorgen des levens ook eindelijk de ware aard van vriendschap toont: ‘De meisjes in Girls zijn onaardig en hebben nauwelijks tijd voor elkaar.’ Dunham zei zelf ook in Interview Magazine: ‘Bij veel vriendschappen die ik op tv zie, ontbreekt de jaloezie, de angst en het doen-alsof die mijn vriendschappen altijd gekenmerkt hebben.’ De New Yorkse vriendengroep in Girls is in feite een realistisch antwoord op de geïdealiseerde vriendschappen uit Sex and the City en Friends. Het lastige is alleen dat de vriendinnen in Girls soms zo onaardig en narcistisch zijn dat het moeilijk is om sympathie voor ze op te brengen, laat staan dat je erbij kunt wegdromen.

De verhaallijnen in Friends en Sex and the City waren veelal onrealistisch en de personages waren relatief zorgeloos – geen wonder dat ik en vele andere fans een pijnlijke reality check opliepen in het echte leven. Aan de andere kant: het is te makkelijk om mijn teleurstelling over mijn vrienden aan twee tv-series te wijten. Het zegt vooral veel over mij. In mijn vriendschappen ben ik zo ambitieus en perfectionistisch dat ik fictie als maatstaf durf te nemen. Ik zie mijn vrienden soms als personages die mijn script moeten volgen, in plaats van dat ik ze accepteer als de imperfecte, egocentrische apen die ze zijn. Dat is eigenlijk helemaal niet aardig. Zo zouden Samantha en Joey dat nooit doen.

Verschenen in Volkskrant Magazine

Essay: Misschien heb ik wel een hersentumor

1

Laatst bekende mijn vriendin me dat ze ‘leven met een hypochondrische partner’ had gegoogled, door een screenshot van deze zoekopdracht naar me te mailen. Ik moest erg hard lachen. Maar de paarsgekleurde eerste link verraadde dat ze wel al aan haar research begonnen was, en dat het dus verder ging dan een grap.

Eenmaal thuis vroeg ik er luchtig naar. De toon werd al snel serieus. ‘De afgelopen dagen heb je je zorgen gemaakt over drie mogelijke ziektes: hersenvliesontsteking, de ziekte van Lyme en een of andere zeldzame infectie door het snot van ons konijn. En dat zijn dan nog alleen de dingen die je met mij deelt.’ Ik deel in feite al mijn fysieke kwaaltjes met haar, omdat ik zeker wil weten dat ze alle informatie paraat heeft als ik plotseling omval en de ambulancebroeders geen idee hebben hoe het zo ver heeft kunnen komen. Soms krabbel ik haastig op een stuk papier: ‘Vanmiddag hoofdpijn, rechts bij mijn slaap. Beetje misselijk ook. Twee appels gegeten -> te veel?’ Een soort omgekeerd zelfmoordbriefje. Zelfs als ik bewusteloos ben, wil ik controle over de situatie houden.

‘Nou ja,’ antwoordde ik, nu enigszins defensief, ‘ik was ook echt ziek. De wond van mijn getrokken verstandskies was ontstoken geraakt, en die zit dicht bij mijn hersenen. De symptomen van hersenvliesontsteking zijn heel moeilijk te onderscheiden van gewone griep. En we waren eergisteren in het bos, dus elkaar checken op teken is gewoon gezond verstand. En wat betreft Benny,’ ik wees naar ons konijn, dat sinds drie maanden vrolijk door het huis hupst en nu met haar meest onschuldige konijnenblik naar ons opkeek, ‘ze niest af en toe en haar neusje is nat, dus dat is een heel duidelijke bron van bacteriën. Zoals de Pasteurella multocida, die vernoemd is naar Louis Pasteur en die overdraagbaar is op mensen – een zogeheten zoönose.’

Ik had tijdens slapeloze kiespijnnachten urenlang op mijn telefoon het internet afgestruind, terwijl ik het licht afschermde voor mijn slapende vriendin, op zoek naar de oorzaak van – en dus de oplossing voor –  mijn infectie. Google is mijn orakel. Mijn zoekgeschiedenis stond vol met vragen als ‘ziek door mijn huisdier?’ en ‘infectie verstandskies konijn snot?’ en de klassieker ‘symptomen hersentumor’ (al zo vaak gegoogled dat mijn browser bij het typen van de ‘s’ de woorden automatisch aanvult).

Maar ik dreef mezelf in een hoek, dat voelde ik. Dus ging ik in de tegenaanval. ‘Jij neemt mijn ziekte gewoon niet serieus genoeg,’ sprak ik als een klein kind. De ouders van mijn vriendin zijn allebei medici, die hun kinderen opvoedden onder het motto ‘dat gaat wel weer over’. Ik heb daarentegen een moeder die me zelf de term ‘lekker schoolziek’ heeft geleerd. Uiteindelijk besloot ik ons gesprek met: ‘Ik ben liever hypochonder dan dat ik doodga omdat ik te nuchter ben om hulp te zoeken.’

Illustratie: Merlijn van Bijsterveld.

2

Ik moet vaak denken aan de zin uit het Nirvana-nummer ‘Territorial pissings’: ‘Just because you’re paranoid, don’t mean they’re not after you.’ De ultieme paranoia is natuurlijk het vermoeden dat je paranoia een kern van waarheid bevat, zelfs als je hebt ingezien dat je vaak overdrijft: goed, oké, ik heb soms last van waanbeelden. Maar dít keer klopt het.

En soms klopt het ook. Het vreemde aan angst is dat dit gevoel een self-fulfilling prophecy kan zijn: de intens jaloerse man zorgt er met zijn wantrouwen voor dat hij zijn lieve vrouw in de armen van een ander drijft, stress over gezondheid is ongezond en de nieuwe symptomen die je daarvan krijgt, leveren nog meer stress op. Als je op ‘hyperventilatie’ zoekt, is het eerste wat je leest: ‘Het is NIET ernstig.’ Alsof de schrijvers van deze teksten beseffen dat je de lezer vooral moet geruststellen. De ellenlange en met uitroeptekens gevulde bijsluiters van medicijnen tegen angst en depressie zijn wat dat betreft minder tactisch: iemand die last heeft van paniekaanvallen kun je beter niet vertellen dat hij mogelijk paarse vlekken in zijn nek kan krijgen of dat uit sommige testen op dieren blijkt dat je van het medicijn onvruchtbaar kunt worden. Maar angst heeft vaak zijn oorsprong in de realiteit, zoals ik echt pijn in mijn kies had.

Paranoia ontstaat echter als je denkt dat je controle over het probleem kunt krijgen. Als het een obsessie wordt. Je brein zoekt als een bezetene alle mogelijkheden af, steeds opnieuw. Wat heb ik over het hoofd gezien? Paranoia grijpt degenen die gewend zijn om veel zaken met hun denkvermogen te beheersen. Op dat moment keert hun trouwe vriend zich tegen hen en loopt het totaal uit de hand.

3

Mijn sociale paranoia is nog heviger dan mijn hypochondrie. Eigenlijk worden alle gesprekken die ik met vrienden voer gevoed door die ene vraag: wat vind je van mij? Ik beoordeel zelf de hele dag alle mensen die ik tegenkom: aantrekkelijk, irritant, lief, vies, imponerend, sukkel. Maar ik heb nooit toegang tot wat zij van mij vinden. Dat is maar goed ook. Als ik de sociale realiteit zo direct zou kunnen ervaren, zou ik een zenuwinzinking krijgen. We hebben fantasieën, paranoia en andere dekmantels nodig om samen te kunnen leven. Toch blijf ik nieuwsgierig. En vooral bezorgd.

Dit mysterie kan ik niet oplossen met Google of een paracetamol. Ik zal moeten accepteren dat ik onwetend blijf. Maar soms kan ik me niet inhouden. Ik heb thuis altijd geleerd dat ik mijn gevoelens en zorgen zoveel mogelijk moet uitspreken. Mijn ouders hebben me alleen nooit iets verteld over paranoia. Wat als je zorgen nergens op gebaseerd zijn?

Een tijd geleden was ik op een feestje waar ik iedereen kende. Vanaf de binnenkomst was het één groot begroetingsritueel met vage kennissen, vrienden en bekenden. Het was onmogelijk om door deze sociale brij heen te komen; na een kwartier was ik maar een paar meter opgeschoten en had ik mijn jas nog steeds aan. Ik moest voortdurend expliciete en impliciete vragen beantwoorden: hoeveel zoenen geef ik haar? Waar ben ik mee bezig de laatste tijd? Hoe gaat het, man? Wat is haar naam ook alweer? De gespannen glimlach bezorgde me spierpijn in mijn kaken. Iedereen was aardig, maar het was te snel, te druk, te hard. We maakten talloze grapjes en we waren hierin zo bedreven dat sommige gesprekjes louter nog uit de flitsende uitwisseling van ironische vondsten bestonden.

Een van de meisjes reageerde echter minder enthousiast op mijn binnenkomst. Sterker nog, ze liep straal langs me. Het had nooit per se goed geklikt tussen ons, maar dit was nieuw. Ze was een collega-schrijver die veel meer succes had dan ik en ik vond het belangrijk dat ze mij aardig vond. Ik probeerde oogcontact met haar te maken voor een erkenning van elkaars aanwezigheid, wederom tevergeefs. Vreemd.

Op de fiets naar huis groef ik in mijn geheugen, op zoek naar een reden voor haar plotselinge afkeer. Al snel begon het schaarse beschikbare materiaal zich te herhalen in mijn hoofd, als een liedje waar je alleen het refrein van kent. Eenmaal thuis besloot ik dat dit niet zo kon. Ik schreef haar een e-mail. We waren toch inmiddels volwassenen, die hun ongemak gewoon konden uitspreken?

Dag Ella,
Ik ken je natuurlijk helemaal niet goed, maar was het vanavond nou heel raar tussen ons? Of was je gewoon moe en ik paranoïde?
XRutger

De volgende dag kreeg ik antwoord:

Huh geen idee? Hebben we gepraat, ohoo ik weet het niet meer, sorry: was vooral heel dronken! 😉
Had je een goede nacht?

Op sociale paranoia volgt vaak schaamte. Ik had me laten kennen. Niet vanwege mijn kwetsbaarheid, maar juist vanwege mijn arrogantie. Hoe kon ik denken dat haar gebrek aan reactie iets met mij te maken had?

F. Scott Fitzgerald schrijft in Tender is the night: ‘Most people think everybody feels about them much more violently than they actually do — they think other people’s opinions of them swing through great arcs of approval or disapproval.’ Terwijl de meeste mensen helemaal niet met jou bezig zijn. ‘Well, we never know how much space we occupy in other people’s lives,’ staat ergens anders in het boek te lezen. De personages in Fitzgeralds roman kunnen zich daar niet bij neerleggen: ze willen het denken van de ander bezitten, met fatale gevolgen.

4

‘Komt wel goed. En niet googlen hè!’ zegt mijn vriendin altijd als ik haar over een fysieke klacht vertel. Ze heeft natuurlijk gelijk. Ik verzin zo graag oplossingen dat ik verslaafd ben geraakt aan problemen. Als alles goed gaat, ben ik niet op mijn gemak en creëer ik zelf maar een probleem. Het internet is wat dat betreft het Walhalla van elke neuroot: je kunt net zo lang door zoeken tot je dood bent. Letterlijk of figuurlijk.

Ik ben in alle paranoïde hoekjes van het internet geweest. Hoewel ik nog nooit lid van een forum ben geworden, lees ik graag mee met de gesprekken tussen andere klagers. Zoals ik graag trucs afkijk van nerds op tech-fora, zo probeer ik ook mijn lichaam te repareren met de hulp van ervaringsdeskundigen. Tijdens mijn kiespijn stuitte ik bijvoorbeeld op dit advies:

In de serie Seinfeld krijgt Elaine in de aflevering ‘The Package’ (1996) van een huisarts de aantekening ‘difficult’ in haar dossier. Ze komt hier niet meer van af. Sterker nog, de nieuwe artsen krabbelen alleen maar meer mysterieuze commentaren bij haar gegevens, naarmate haar paranoia groeit. Ik ben ervan overtuigd dat ik inmiddels ook zo’n aantekening heb. Mijn vorige huisarts deed mijn klachten steevast af met: ‘Volgens mij valt het mee.’ En meestal was dat ook zo. Tot ik mijn kruisband afscheurde met voetbal en er drie maanden mee rondliep omdat hij me weigerde naar het ziekenhuis te verwijzen. Was ik het slachtoffer van zijn medische desinteresse of van mijn eigen paranoia?

De laatste keer dat ik bij mijn nieuwe huisarts was, dacht ik dat ik een hersentumor had. Ja oké, ik heb een neiging tot overdrijven. Maar dit keer was het echt zo.

In zijn hypermoderne wachtkamer wordt altijd dromerige loungemuziek afgespeeld, die je zacht in slaap soest. De banken zijn net iets te hoog, waardoor je niet met je voeten bij de grond kan en ze al snel verveeld heen en weer slingert. Het loopt elke keer een half uur uit. Op een bordje staat het spreekwoord: ‘De mens lijdt het meest, door het lijden wat hij vreest.’

De dokter hoorde mijn klachten aan: een vreemde tinteling in mijn kin, buikpijn, hoofdpijn, nachtzweten. Hij vroeg: ‘Heb je het druk?’ ‘Ja, mijn boek komt bijna uit,’ gaf ik toe. Hij leunde achterover. ‘Stress kan allerlei vreemde symptomen veroorzaken. Ik kan nu wel allerlei testjes gaan doen, maar dan maak je je alleen maar meer zorgen. Laten we dus maar even afwachten.’ Ik knikte aarzelend. We schudden elkaar de hand. Vlak voor ik naar buiten ging, draaide ik me om en zei: ‘Weet u zeker dat het geen hersentumor is? Ik las een paper over het numb chin syndrome in Annals of oncology…’ Hij zuchtte, keek me hoofdschuddend aan en sprak op zakelijke toon: ‘Nee.’

5

Mijn sociale paranoia is nauw verbonden met mijn angstaanjagende bewijsdrang. Ik ben vaak bang dat iemand mij niet mag omdat dat mijn succes in de weg kan staan. ’s Nachts trekken ze aan mijn ogen voorbij: die ene recensent die ik ooit een beetje beledigd heb, of de uitgever die waarschijnlijk vindt dat ik een irritante kop heb. Dus toen een collega mij laatst vertelde dat hij gehoord had dat de hoofdredacteur van een vooraanstaand medium mij ‘gewoon een eikel vindt’, werd ik direct gegrepen door een diepe angst voor afwijzing.

Het klopte ook wel. Hij (de hoofdredacteur) had mij nóóit gevraagd om iets voor hem te schrijven, terwijl we toch eerder hadden samengewerkt en we ons in dezelfde kringen bewogen. De samenwerking was niet altijd soepel verlopen dankzij mijn gebrekkige communicatie, en onze ego’s waren wel eens gebotst. Toch wist ik na deze ontdekking mijn kalmte enigszins te bewaren: ik moest niet afgaan op roddels. Het zou wel meevallen, zoals altijd.

Ik besloot de hoofdredacteur een luchtig whatsappje te sturen.

He Bart, zullen we een dezer dagen een tosti eten of een biertje drinken?

De blauwe vinkjes kwelden me. Hij antwoordde niet. Een dag. Drie dagen. Een week. Ik stuurde nog een bericht, waarin ik weer heel relaxed probeerde over te komen.

He man, je hebt het waarschijnlijk druk. Het lijkt mij nog steeds gezellig. Laat maar weten!

Niets. Nu wist ik het zeker. Hij vond me een eikel. Natuurlijk. Alles viel op z’n plek. Ik moest het goedmaken. De schade herstellen. Ik besloot hem te bellen, een reuzenstap. Hij nam niet op. Ik gaf hem een dag de kans om terug te bellen; de maximale terugbeltermijn. Stilte. Ik wierp al mijn trots af en belde weer. Ik sprak zijn voicemail in (‘Is je Whatsapp stuk? Haha.’). En nog een keer.

Uiteindelijk stuurde ik de volgende e-mail naar mijn nieuwe aartsvijand:

Dag Bart,

Een paar weken geleden zei een collega tegen mij: ‘Bart en jij mogen elkaar gewoon niet.’ Huh? Ik dacht: ik ga even met Bart wat drinken om dit eens te bespreken. Maar nu je niet antwoordt op mijn pogingen tot contact, begin ik me toch een beetje zorgen te maken.

Ik weet ook wel dat dingen tussen ons niet altijd even soepel zijn verlopen. De mislukte samenwerking in 2011, mijn irritatie over sommige redacteuren onder jouw leiding, mijn voorzichtige kritiek, enz.

Maar ik heb jou vanaf het moment dat ik je eerste stukje las altijd bewonderd. Naarmate ik zelf meer schrijfervaring kreeg, nam die eerste euforie wat af en hoopte ik om op meer gelijke voet te komen te staan. Ik wilde graag een complimentje van de meester, zeker toen ik meer mijn eigen stem vond. Misschien dat ik daarom soms wat nukkig reageerde, daar zat een tikkeltje rancune van mijn kant bij. Misschien is er inmiddels een verschil van stijl ontstaan, maar ik vind het nog steeds zeer te prijzen wat je bereikt hebt.

Mensen die mooie dingen proberen te maken, hebben dezelfde doelen en moeten boven kleine irritaties staan. Als die er al bij jou zijn, want dat weet ik dus nog steeds niet. Ik hoop in elk geval dat we het binnenkort over andere dingen kunnen hebben.

Hartelijke groet,

Rutger

Vier dagen later kreeg ik antwoord. Toen ik het las in de rij voor de supermarkt voelde ik me misselijk van schaamte.

Beste Rutger,

wees gerust: ik heb het simpelweg razenddruk, zelfs mijn moeder kan mij nooit bereiken.

Verder komt dit mailtje voor mij behoorlijk uit de lucht vallen. Ja, wij hebben inderdaad stroeve ervaringen gehad, maar dat is voor mij wel lang geleden hoor. Het is niet zo dat ik daar nu nog mee rondloop. Dus maak je daar vooral geen zorgen over.

Groet!
Bart

Het was alsof ik geconfronteerd werd met wandaden tijdens een dronken bui. Ik las mijn eigen mail terug en begreep niet hoe ik me zo had kunnen laten gaan. Maar ik was niet dronken geweest van alcohol. Ik was dronken van paranoia.

Toen ik dit aan mijn vriendin vertelde, schudde ze haar hoofd. Ik kon al snel lachen om mijn eigen idiotie. Toch laat ik me elke keer weer meeslepen, omdat mijn zorgen dan zo realistisch aanvoelen. Misschien komt er een dag dat ik kan accepteren dat ik niet over alles controle kan hebben, dat ik mijn eigen zwakheden en de oordelen van anderen soms niet kan veranderen.

Maar het is waarschijnlijker dat ik op een dag thuiskom en mijn vriendin in bed aantref met een andere man, zo’n heel relaxte gast die zich nooit ergens zorgen om maakt. Ik zie het zo voor me.

Commentaar: Seizoen 5 van Louie

In het eerste seizoen van Louie wordt de hoofdpersoon (Louis CK) verliefd op zijn beste vriendin, de grofgebekte Pamela (Pamela Adlon). Telkens als hij zijn gevoelens probeert te uiten, lacht ze hem uit. In de laatste aflevering vertrekt ze naar Barcelona en op het vliegveld kijkt hij haar treurig na. Zij draait zich om, ziet haar passieve, ongemakkelijke vriend staan en roept: “Wave to me, dummy! Wave to me!” Louie verstaat het echter verkeerd en denkt dat ze “Wait for me” zegt. Hij roept dus enthousiast terug: “I’ll wait for you! Yes! I’ll wait for you!” en vertrekt met een grote glimlach op zijn gezicht. Dit soort ongemakkelijke, tragikomische miscommunicaties is Louie op zijn best.

Toen stand-up comedian Louis CK in 2009 door omroep FX benaderd werd, verkeerde hij in een luxepositie. Hij was 42 en zijn carrière had een onverwachtse, late vlucht genomen dankzij zijn ongekend eerlijke stand-up-shows. Hij had echter ook al heel wat teleurstellingen te verduren gehad: een afwijzing door Saturday Night Live, de door hem geregisseerde film Pootie Tang (2001) waarbij hij tijdens de montage ontslagen werd en zijn eigen sitcom Lucky Louie (2006) die na één seizoen door HBO van de buis werd gehaald. Louis CK had, kortom, niets te verliezen. Hij zei tegen FX: ik wil het best doen, maar dan wil ik onbeperkte artistieke vrijheid. De opdrachtgevers zouden het resultaat pas zien als het werd uitgezonden. FX stelde een minimaal budget beschikbaar (zo’n 300.000 dollar per aflevering) en stemde in. Zo ontstond een unieke situatie, die sindsdien is bekend komen te staan als de ‘Louis CK-deal’.

Daarom waren de eerste seizoenen van Louie zo opwindend. Louis CK creëerde een parallelle wereld waar alles nét een beetje anders was, zoals gesymboliseerd wordt door zijn voornaam in de serie. De basis was hetzelfde: hij speelt een gescheiden comedian die twee dochters opvoedt. Op dat thema improviseerde Louis CK (schrijver, regisseur, hoofdrolspeler en editor van de serie) als een virtuoze jazzmuzikant. Louie was een explosie van jarenlang opgeslagen ideeën, die eindelijk hun weg naar buiten vonden. In de eerste aflevering stapt een meisje aan het eind van een rampzalige date in een helikopter, die wegvliegt over de Hudsonrivier van New York, terwijl Louie haar treurig nakijkt: een absurd en tegelijk al te herkenbaar beeld. Hoewel Louie dankzij het gebrek aan regels of verhaallijn en de bij vlagen taboedoorbrekende thema’s geen makkelijke show was, won het vele prijzen (twee Emmy’s en vier Television Critics Awards) en werd het door recensenten de hemel in geprezen. Salon noemde het “the most reliably unpredictable show on television”.

Het is niet verrassend dat Louis CK veelvuldig met Woody Allen werd vergeleken; later werd hij dan ook door de oude meester gecast in Blue Jasmine (2013). Maar Louie was ook schatplichtig aan Seinfeld (1989-1998), de eerste televisieserie die het dagelijks leven van een comedian probeerde vast te leggen (Jerry Seinfeld speelt ook zo nu en dan in Louie). Seinfeld kreeg de misleidende bijnaam “a show about nothing”, terwijl het juist over kleine, onuitgesproken, maar oh zo belangrijke sociale regels ging. Hetzelfde geldt voor Louie: vanuit de stilstand, het anti-drama, kan de comedian onderschatte thema’s onderzoeken. Zoals de aflevering waarin Louie bevriend raakt met een knappe life guard in Miami, maar het vanwege machonormen niet lukt om uit te spreken hoezeer hij die jongen mag. Louie is duisterder en grover dan de redelijk nette sitcom Seinfeld. Je merkt dat Louis CK graag Russische literatuur las als tiener, waarbij hij de ramen openzette omdat hij het net zo koud wilde hebben als Dostojevski of Gogol.

Het probleem met elke poging tot realisme in film of op televisie is dat een artistiek medium wel moet verheffen: als het plot herkenbaar is, gaan we erin mee, maar als exact gelijk is aan ons eigen leven en ons in feite niets leert, kunnen we net zo goed niet kijken. In het begin waren de meeste afleveringen van Louie twee op zichzelf staande korte tragikomische films, versneden met zijn stand-up-act en vol absurde details, maar die stoet van losse ideeën kon niet eeuwig doorgaan. In seizoen drie (het hoogtepunt van de serie wat mij betreft) probeerde CK daarom de verlangens en de ontwikkeling van zijn alter ego iets uit te breiden, met een zoektocht naar een moeder voor zijn dochters (‘Daddy’s Girlfriend’, met de mysterieuze, excentrieke Posey Parker) en zijn poging om de vervanger van David Letterman te worden (‘Late Night’, met een hilarische bijrol voor David Lynch).

In seizoen vier voerde CK dit verder door: verhaallijnen werden over drie of zelfs zes afleveringen uitgesponnen (zoals ‘Elevator’, over de non-verbale liefde tussen Louie en de Hongaarse Amia, of de flashback ‘In the woods’, over zijn drugsgebruik als tiener). Deze arthouse-achtige plots leverden nog steeds mooie momenten op, maar voor het eerst was er ook sprake van verveling en bekroop mij het gevoel dat Louis CK te veel vrijheid nam. Aan het einde van het seizoen was er zelfs sprake van een happy ending: Pamela keerde daadwerkelijk terug, nu wel bereid tot een poging met Louie. Het leidde tot grappige scènes, zoals het moment dat Louie haar dwingt om intimiteit toe te laten en zij roept: “This would be rape if you weren’t so stupid!” Toch stelde deze twist mij teleur. Niet vanwege de rauwe en ongemakkelijke romantiek, maar omdat het voelde als een kunstgreep. Pamela verscheen letterlijk uit het niets ten tonele en dat voelde, anders dan de helikoptervlucht van Louie’s eerste date, onrealistisch.

In het huidige seizoen greep Louis CK terug naar de kortere aandachtspanne van de eerste seizoenen, wat een paar van de beste afleveringen van de serie opleverde. Met name ‘Bobby’s House’ was een hoogtepunt: nadat Louie in elkaar geslagen wordt door een meisje, vraagt hij Pamela om hem op te maken om zijn wonden te maskeren. Ze overtuigt hem ervan om een vrouw van hem te maken en seks te hebben in een absurd rollenspel, waarbij zij hem overmeestert op ‘mannelijke’ wijze. Eigenlijk ligt deze a-traditionele rolverdeling niet zo ver van de waarheid: Louie is nog steeds overgevoelig en Pamela wil liever een open relatie. Na afloop van de seks beëindigt ze hun gedoemde affaire dan ook, waarop hij in tranen uitbarst en zijn mascara uitloopt.

Zodoende blijft Louie weer vastzitten, wat steeds meer begint te irriteren. Louis CK hanteert tijdens het schrijven de regel dat hij nooit de winnaar mag zijn. Zelfs als hij een prachtig betoog voor het leven houdt tegen een comedy-vriend die zelfmoord wil plegen, lacht zijn tegenspeler hem uit: “Kijk jou nou, met je mooie speech. Maar dit is niet jouw moment, Louie.” Dit zien we heel vaak terug in de serie: Louie die op zijn nummer wordt gezet, zelfs als hij gelijk heeft. In seizoen vier kreeg hij acht minuten lang op zijn kop van een leuk, maar dik meisje dat niet begreep waarom mannen zo bang zijn om iets met haar te beginnen (de veelgeprezen aflevering ‘So did the fat lady’). Dit seizoen zijn het vooral jongeren die Louie de les lezen: zijn dochter Lilly, die tot zijn verbazing tegelijk kan googlen en van een toneelstuk kan genieten, de bazin van een kookwinkel die hem erop wijst dat hij arrogant is vanwege zijn leeftijd. Ook dit trucje frustreert soms. Natuurlijk zijn we vaak hypocriet of voelen we ons moreel superieur. Maar ik wil dat Louie eens wint, dat hij vooruitkomt.

Louis CK heeft zijn personage heel bewust minder succesvol gemaakt dan hijzelf. Begin dit jaar stuurde hij een e-mail aan zijn fans (met de typische titel ‘Very long e-mail from Louis CK’), waarin hij zijn lange weg als stand-up comedian beschreef. Hij romantiseerde de moeilijke momenten en zei dat hij die nog steeds opzoekt: “After thirty years of doing comedy, the most exciting feeling for me is going on stage, not entirely sure it’s going to go well. To this day, when I work at the Comedy Store [de intimiderende club in Los Angeles waar hij zijn laatste comedyshow opnam], I feel there’s a one in three chance I might bomb. Like bomb hard. To a guy my age who has been doing it this long, that is exciting.”

Seizoen vijf van Louie zou over dat deel van zijn leven gaan. Maar pas in de voorlaatste aflevering (The Road Part 1), zagen we hoe hij in een smerig motel in Cincinnati moet overnachten en in ongemakkelijke situaties terechtkomt. Het was grappig en licht deprimerend, maar kwam mij ook al te bekend voor. Er werd weinig nieuws gezegd over onze Louie en er werden geen inhoudelijke grenzen verlegd. Het voelde bijna veilig.

Louis CK zit in een lastig parket, nu zijn serie steeds meer gegroeid is en het risico van herhaling groter wordt. Hij lijkt het beste te zijn in het schrijven van kleine moment-scènes of afleveringen die één thema verkennen en het dan weer loslaten. De langere spanningsbogen zijn minder zijn ding, vooral omdat hij die uiteindelijk ook laat doodlopen. Tegelijk wil hij zichzelf blijven uitdagen, wat dit seizoen resulteerde in het totaal losgeslagen, horrorachtige ‘Untitled’, over een serie nachtmerries waardoor Louie niet meer het onderscheid tussen slapen en waken kan maken. Een experiment dat wat mij betreft niet helemaal slaagde, maar waarbij je in elk geval weer even de urgentie van de eerste seizoenen voelde. Alsof er iets op het spel stond, zoals op het podium van The Comedy Store.

Louis CK heeft zijn eigen lat zeer hoog gelegd. Een mindere aflevering van Louie is nog steeds slimmer, grappiger en ontroerender dan het meeste wat je op televisie ziet, met acteurs die zonder uitzondering in topvorm zijn. Er zit altijd een detail in dat je brein kietelt, zoals de namen van vriendinnetjes van dochter Jane in de aflevering ‘Sleepover’: Afghanistan en Tranquility. “It’s Tranquili-TAY, daddy.” Ja, ik houd nog steeds zielsveel van Louie. Maar ik ben ook benieuwd hoe ver Louis CK zijn concept nog kan rekken.

Weer verrassend weinig doden bij amateurverhuizingen

AMSTERDAM – In heel Nederland is afgelopen weekend helemaal niemand overleden bij verhuizingen door onprofessionele, zichzelf overschattende jongeren. Er werden in het lentezonnetje wederom duizenden banken naar derde of zelfs vijfde verdiepingen getakeld, waarbij de sjouwers recht onder het vervaarlijk slingerende object stonden te hijgen en te puffen, zonder dat er ook maar één persoon in het ziekenhuis belandde. “Ik ben gewoon komen helpen,” sprak Bas Noordveld (27) op zondagochtend in Amsterdam, wiens adem duidelijk nog naar alcohol rook en die op basis van zijn instabiele voorkomen niet in de buurt van zwaar tilwerk toegestaan zou mogen worden, maar die toch in zijn eentje verantwoordelijk was voor het touw waarmee op dat moment vier spiegels en een bowlingbal naar boven werden getakeld.

$_83

“Twintigers verhuizen vaak en hebben weinig geld,” aldus socioloog Gert Mieren. “Ze beroepen zich dus op de hulp van vrienden en familie, die eigenlijk geen zin hebben om te komen helpen. Als ze dan toch komen opdagen, hebben met name de mannen vaak last van een totaal verknipt zelfbeeld, waarbij hun idee van hun eigen ruimtelijk inzicht en fysieke kracht totaal niet overeenkomt met de werkelijkheid.” Op de vraag waarom er eigenlijk nooit iemand sterft bij deze overduidelijk levensgevaarlijke combinatie van loodzware objecten en grootheidswaanzin reageerde Mieren net zo verbijsterd als de verslaggever. “Het tart met alles wat we over kansberekening dachten te weten.”

Gek genoeg werd er dus tijdens deze twee traditionele verhuisdagen niemand verpletterd onder een wasmachine die zonder enig plan van aanpak zes trappen op gesleurd werd, een operatie van anderhalf uur die op wat kleine verfschade na wonderwel slaagde. Er gebeurden ook geen dodelijke ongelukken met veel te volle huurbusjes, die toch bestuurd werden door zeer onervaren, naïeve jongeren. Lokale verslaggevers spraken van ‘een fucking godswonder’ dat iedereen ongedeerd bleef bij deze massale flirt met het noodlot, die op een vreemde manier ook wel weer ons geloof in het menselijk kunnen enigszins herstelde.