Essay: Misschien heb ik wel een hersentumor

1

Laatst bekende mijn vriendin me dat ze ‘leven met een hypochondrische partner’ had gegoogled, door een screenshot van deze zoekopdracht naar me te mailen. Ik moest erg hard lachen. Maar de paarsgekleurde eerste link verraadde dat ze wel al aan haar research begonnen was, en dat het dus verder ging dan een grap.

Eenmaal thuis vroeg ik er luchtig naar. De toon werd al snel serieus. ‘De afgelopen dagen heb je je zorgen gemaakt over drie mogelijke ziektes: hersenvliesontsteking, de ziekte van Lyme en een of andere zeldzame infectie door het snot van ons konijn. En dat zijn dan nog alleen de dingen die je met mij deelt.’ Ik deel in feite al mijn fysieke kwaaltjes met haar, omdat ik zeker wil weten dat ze alle informatie paraat heeft als ik plotseling omval en de ambulancebroeders geen idee hebben hoe het zo ver heeft kunnen komen. Soms krabbel ik haastig op een stuk papier: ‘Vanmiddag hoofdpijn, rechts bij mijn slaap. Beetje misselijk ook. Twee appels gegeten -> te veel?’ Een soort omgekeerd zelfmoordbriefje. Zelfs als ik bewusteloos ben, wil ik controle over de situatie houden.

‘Nou ja,’ antwoordde ik, nu enigszins defensief, ‘ik was ook echt ziek. De wond van mijn getrokken verstandskies was ontstoken geraakt, en die zit dicht bij mijn hersenen. De symptomen van hersenvliesontsteking zijn heel moeilijk te onderscheiden van gewone griep. En we waren eergisteren in het bos, dus elkaar checken op teken is gewoon gezond verstand. En wat betreft Benny,’ ik wees naar ons konijn, dat sinds drie maanden vrolijk door het huis hupst en nu met haar meest onschuldige konijnenblik naar ons opkeek, ‘ze niest af en toe en haar neusje is nat, dus dat is een heel duidelijke bron van bacteriën. Zoals de Pasteurella multocida, die vernoemd is naar Louis Pasteur en die overdraagbaar is op mensen – een zogeheten zoönose.’

Ik had tijdens slapeloze kiespijnnachten urenlang op mijn telefoon het internet afgestruind, terwijl ik het licht afschermde voor mijn slapende vriendin, op zoek naar de oorzaak van – en dus de oplossing voor –  mijn infectie. Google is mijn orakel. Mijn zoekgeschiedenis stond vol met vragen als ‘ziek door mijn huisdier?’ en ‘infectie verstandskies konijn snot?’ en de klassieker ‘symptomen hersentumor’ (al zo vaak gegoogled dat mijn browser bij het typen van de ‘s’ de woorden automatisch aanvult).

Maar ik dreef mezelf in een hoek, dat voelde ik. Dus ging ik in de tegenaanval. ‘Jij neemt mijn ziekte gewoon niet serieus genoeg,’ sprak ik als een klein kind. De ouders van mijn vriendin zijn allebei medici, die hun kinderen opvoedden onder het motto ‘dat gaat wel weer over’. Ik heb daarentegen een moeder die me zelf de term ‘lekker schoolziek’ heeft geleerd. Uiteindelijk besloot ik ons gesprek met: ‘Ik ben liever hypochonder dan dat ik doodga omdat ik te nuchter ben om hulp te zoeken.’

Illustratie: Merlijn van Bijsterveld.

2

Ik moet vaak denken aan de zin uit het Nirvana-nummer ‘Territorial pissings’: ‘Just because you’re paranoid, don’t mean they’re not after you.’ De ultieme paranoia is natuurlijk het vermoeden dat je paranoia een kern van waarheid bevat, zelfs als je hebt ingezien dat je vaak overdrijft: goed, oké, ik heb soms last van waanbeelden. Maar dít keer klopt het.

En soms klopt het ook. Het vreemde aan angst is dat dit gevoel een self-fulfilling prophecy kan zijn: de intens jaloerse man zorgt er met zijn wantrouwen voor dat hij zijn lieve vrouw in de armen van een ander drijft, stress over gezondheid is ongezond en de nieuwe symptomen die je daarvan krijgt, leveren nog meer stress op. Als je op ‘hyperventilatie’ zoekt, is het eerste wat je leest: ‘Het is NIET ernstig.’ Alsof de schrijvers van deze teksten beseffen dat je de lezer vooral moet geruststellen. De ellenlange en met uitroeptekens gevulde bijsluiters van medicijnen tegen angst en depressie zijn wat dat betreft minder tactisch: iemand die last heeft van paniekaanvallen kun je beter niet vertellen dat hij mogelijk paarse vlekken in zijn nek kan krijgen of dat uit sommige testen op dieren blijkt dat je van het medicijn onvruchtbaar kunt worden. Maar angst heeft vaak zijn oorsprong in de realiteit, zoals ik echt pijn in mijn kies had.

Paranoia ontstaat echter als je denkt dat je controle over het probleem kunt krijgen. Als het een obsessie wordt. Je brein zoekt als een bezetene alle mogelijkheden af, steeds opnieuw. Wat heb ik over het hoofd gezien? Paranoia grijpt degenen die gewend zijn om veel zaken met hun denkvermogen te beheersen. Op dat moment keert hun trouwe vriend zich tegen hen en loopt het totaal uit de hand.

3

Mijn sociale paranoia is nog heviger dan mijn hypochondrie. Eigenlijk worden alle gesprekken die ik met vrienden voer gevoed door die ene vraag: wat vind je van mij? Ik beoordeel zelf de hele dag alle mensen die ik tegenkom: aantrekkelijk, irritant, lief, vies, imponerend, sukkel. Maar ik heb nooit toegang tot wat zij van mij vinden. Dat is maar goed ook. Als ik de sociale realiteit zo direct zou kunnen ervaren, zou ik een zenuwinzinking krijgen. We hebben fantasieën, paranoia en andere dekmantels nodig om samen te kunnen leven. Toch blijf ik nieuwsgierig. En vooral bezorgd.

Dit mysterie kan ik niet oplossen met Google of een paracetamol. Ik zal moeten accepteren dat ik onwetend blijf. Maar soms kan ik me niet inhouden. Ik heb thuis altijd geleerd dat ik mijn gevoelens en zorgen zoveel mogelijk moet uitspreken. Mijn ouders hebben me alleen nooit iets verteld over paranoia. Wat als je zorgen nergens op gebaseerd zijn?

Een tijd geleden was ik op een feestje waar ik iedereen kende. Vanaf de binnenkomst was het één groot begroetingsritueel met vage kennissen, vrienden en bekenden. Het was onmogelijk om door deze sociale brij heen te komen; na een kwartier was ik maar een paar meter opgeschoten en had ik mijn jas nog steeds aan. Ik moest voortdurend expliciete en impliciete vragen beantwoorden: hoeveel zoenen geef ik haar? Waar ben ik mee bezig de laatste tijd? Hoe gaat het, man? Wat is haar naam ook alweer? De gespannen glimlach bezorgde me spierpijn in mijn kaken. Iedereen was aardig, maar het was te snel, te druk, te hard. We maakten talloze grapjes en we waren hierin zo bedreven dat sommige gesprekjes louter nog uit de flitsende uitwisseling van ironische vondsten bestonden.

Een van de meisjes reageerde echter minder enthousiast op mijn binnenkomst. Sterker nog, ze liep straal langs me. Het had nooit per se goed geklikt tussen ons, maar dit was nieuw. Ze was een collega-schrijver die veel meer succes had dan ik en ik vond het belangrijk dat ze mij aardig vond. Ik probeerde oogcontact met haar te maken voor een erkenning van elkaars aanwezigheid, wederom tevergeefs. Vreemd.

Op de fiets naar huis groef ik in mijn geheugen, op zoek naar een reden voor haar plotselinge afkeer. Al snel begon het schaarse beschikbare materiaal zich te herhalen in mijn hoofd, als een liedje waar je alleen het refrein van kent. Eenmaal thuis besloot ik dat dit niet zo kon. Ik schreef haar een e-mail. We waren toch inmiddels volwassenen, die hun ongemak gewoon konden uitspreken?

Dag Ella,
Ik ken je natuurlijk helemaal niet goed, maar was het vanavond nou heel raar tussen ons? Of was je gewoon moe en ik paranoïde?
XRutger

De volgende dag kreeg ik antwoord:

Huh geen idee? Hebben we gepraat, ohoo ik weet het niet meer, sorry: was vooral heel dronken! 😉
Had je een goede nacht?

Op sociale paranoia volgt vaak schaamte. Ik had me laten kennen. Niet vanwege mijn kwetsbaarheid, maar juist vanwege mijn arrogantie. Hoe kon ik denken dat haar gebrek aan reactie iets met mij te maken had?

F. Scott Fitzgerald schrijft in Tender is the night: ‘Most people think everybody feels about them much more violently than they actually do — they think other people’s opinions of them swing through great arcs of approval or disapproval.’ Terwijl de meeste mensen helemaal niet met jou bezig zijn. ‘Well, we never know how much space we occupy in other people’s lives,’ staat ergens anders in het boek te lezen. De personages in Fitzgeralds roman kunnen zich daar niet bij neerleggen: ze willen het denken van de ander bezitten, met fatale gevolgen.

4

‘Komt wel goed. En niet googlen hè!’ zegt mijn vriendin altijd als ik haar over een fysieke klacht vertel. Ze heeft natuurlijk gelijk. Ik verzin zo graag oplossingen dat ik verslaafd ben geraakt aan problemen. Als alles goed gaat, ben ik niet op mijn gemak en creëer ik zelf maar een probleem. Het internet is wat dat betreft het Walhalla van elke neuroot: je kunt net zo lang door zoeken tot je dood bent. Letterlijk of figuurlijk.

Ik ben in alle paranoïde hoekjes van het internet geweest. Hoewel ik nog nooit lid van een forum ben geworden, lees ik graag mee met de gesprekken tussen andere klagers. Zoals ik graag trucs afkijk van nerds op tech-fora, zo probeer ik ook mijn lichaam te repareren met de hulp van ervaringsdeskundigen. Tijdens mijn kiespijn stuitte ik bijvoorbeeld op dit advies:

In de serie Seinfeld krijgt Elaine in de aflevering ‘The Package’ (1996) van een huisarts de aantekening ‘difficult’ in haar dossier. Ze komt hier niet meer van af. Sterker nog, de nieuwe artsen krabbelen alleen maar meer mysterieuze commentaren bij haar gegevens, naarmate haar paranoia groeit. Ik ben ervan overtuigd dat ik inmiddels ook zo’n aantekening heb. Mijn vorige huisarts deed mijn klachten steevast af met: ‘Volgens mij valt het mee.’ En meestal was dat ook zo. Tot ik mijn kruisband afscheurde met voetbal en er drie maanden mee rondliep omdat hij me weigerde naar het ziekenhuis te verwijzen. Was ik het slachtoffer van zijn medische desinteresse of van mijn eigen paranoia?

De laatste keer dat ik bij mijn nieuwe huisarts was, dacht ik dat ik een hersentumor had. Ja oké, ik heb een neiging tot overdrijven. Maar dit keer was het echt zo.

In zijn hypermoderne wachtkamer wordt altijd dromerige loungemuziek afgespeeld, die je zacht in slaap soest. De banken zijn net iets te hoog, waardoor je niet met je voeten bij de grond kan en ze al snel verveeld heen en weer slingert. Het loopt elke keer een half uur uit. Op een bordje staat het spreekwoord: ‘De mens lijdt het meest, door het lijden wat hij vreest.’

De dokter hoorde mijn klachten aan: een vreemde tinteling in mijn kin, buikpijn, hoofdpijn, nachtzweten. Hij vroeg: ‘Heb je het druk?’ ‘Ja, mijn boek komt bijna uit,’ gaf ik toe. Hij leunde achterover. ‘Stress kan allerlei vreemde symptomen veroorzaken. Ik kan nu wel allerlei testjes gaan doen, maar dan maak je je alleen maar meer zorgen. Laten we dus maar even afwachten.’ Ik knikte aarzelend. We schudden elkaar de hand. Vlak voor ik naar buiten ging, draaide ik me om en zei: ‘Weet u zeker dat het geen hersentumor is? Ik las een paper over het numb chin syndrome in Annals of oncology…’ Hij zuchtte, keek me hoofdschuddend aan en sprak op zakelijke toon: ‘Nee.’

5

Mijn sociale paranoia is nauw verbonden met mijn angstaanjagende bewijsdrang. Ik ben vaak bang dat iemand mij niet mag omdat dat mijn succes in de weg kan staan. ’s Nachts trekken ze aan mijn ogen voorbij: die ene recensent die ik ooit een beetje beledigd heb, of de uitgever die waarschijnlijk vindt dat ik een irritante kop heb. Dus toen een collega mij laatst vertelde dat hij gehoord had dat de hoofdredacteur van een vooraanstaand medium mij ‘gewoon een eikel vindt’, werd ik direct gegrepen door een diepe angst voor afwijzing.

Het klopte ook wel. Hij (de hoofdredacteur) had mij nóóit gevraagd om iets voor hem te schrijven, terwijl we toch eerder hadden samengewerkt en we ons in dezelfde kringen bewogen. De samenwerking was niet altijd soepel verlopen dankzij mijn gebrekkige communicatie, en onze ego’s waren wel eens gebotst. Toch wist ik na deze ontdekking mijn kalmte enigszins te bewaren: ik moest niet afgaan op roddels. Het zou wel meevallen, zoals altijd.

Ik besloot de hoofdredacteur een luchtig whatsappje te sturen.

He Bart, zullen we een dezer dagen een tosti eten of een biertje drinken?

De blauwe vinkjes kwelden me. Hij antwoordde niet. Een dag. Drie dagen. Een week. Ik stuurde nog een bericht, waarin ik weer heel relaxed probeerde over te komen.

He man, je hebt het waarschijnlijk druk. Het lijkt mij nog steeds gezellig. Laat maar weten!

Niets. Nu wist ik het zeker. Hij vond me een eikel. Natuurlijk. Alles viel op z’n plek. Ik moest het goedmaken. De schade herstellen. Ik besloot hem te bellen, een reuzenstap. Hij nam niet op. Ik gaf hem een dag de kans om terug te bellen; de maximale terugbeltermijn. Stilte. Ik wierp al mijn trots af en belde weer. Ik sprak zijn voicemail in (‘Is je Whatsapp stuk? Haha.’). En nog een keer.

Uiteindelijk stuurde ik de volgende e-mail naar mijn nieuwe aartsvijand:

Dag Bart,

Een paar weken geleden zei een collega tegen mij: ‘Bart en jij mogen elkaar gewoon niet.’ Huh? Ik dacht: ik ga even met Bart wat drinken om dit eens te bespreken. Maar nu je niet antwoordt op mijn pogingen tot contact, begin ik me toch een beetje zorgen te maken.

Ik weet ook wel dat dingen tussen ons niet altijd even soepel zijn verlopen. De mislukte samenwerking in 2011, mijn irritatie over sommige redacteuren onder jouw leiding, mijn voorzichtige kritiek, enz.

Maar ik heb jou vanaf het moment dat ik je eerste stukje las altijd bewonderd. Naarmate ik zelf meer schrijfervaring kreeg, nam die eerste euforie wat af en hoopte ik om op meer gelijke voet te komen te staan. Ik wilde graag een complimentje van de meester, zeker toen ik meer mijn eigen stem vond. Misschien dat ik daarom soms wat nukkig reageerde, daar zat een tikkeltje rancune van mijn kant bij. Misschien is er inmiddels een verschil van stijl ontstaan, maar ik vind het nog steeds zeer te prijzen wat je bereikt hebt.

Mensen die mooie dingen proberen te maken, hebben dezelfde doelen en moeten boven kleine irritaties staan. Als die er al bij jou zijn, want dat weet ik dus nog steeds niet. Ik hoop in elk geval dat we het binnenkort over andere dingen kunnen hebben.

Hartelijke groet,

Rutger

Vier dagen later kreeg ik antwoord. Toen ik het las in de rij voor de supermarkt voelde ik me misselijk van schaamte.

Beste Rutger,

wees gerust: ik heb het simpelweg razenddruk, zelfs mijn moeder kan mij nooit bereiken.

Verder komt dit mailtje voor mij behoorlijk uit de lucht vallen. Ja, wij hebben inderdaad stroeve ervaringen gehad, maar dat is voor mij wel lang geleden hoor. Het is niet zo dat ik daar nu nog mee rondloop. Dus maak je daar vooral geen zorgen over.

Groet!
Bart

Het was alsof ik geconfronteerd werd met wandaden tijdens een dronken bui. Ik las mijn eigen mail terug en begreep niet hoe ik me zo had kunnen laten gaan. Maar ik was niet dronken geweest van alcohol. Ik was dronken van paranoia.

Toen ik dit aan mijn vriendin vertelde, schudde ze haar hoofd. Ik kon al snel lachen om mijn eigen idiotie. Toch laat ik me elke keer weer meeslepen, omdat mijn zorgen dan zo realistisch aanvoelen. Misschien komt er een dag dat ik kan accepteren dat ik niet over alles controle kan hebben, dat ik mijn eigen zwakheden en de oordelen van anderen soms niet kan veranderen.

Maar het is waarschijnlijker dat ik op een dag thuiskom en mijn vriendin in bed aantref met een andere man, zo’n heel relaxte gast die zich nooit ergens zorgen om maakt. Ik zie het zo voor me.