Interview: David Sedaris

Op 35-jarige leeftijd las David Sedaris op de radio een verhaal voor over zijn bijbaantje als kerst-elf in een groot warenhuis in New York. Het wordt nog altijd geroemd als een van de grappigste verhalen die ooit in de Engelse taal is geschreven. Vanaf dat moment rees zijn ster snel; al zijn verhalenbundels werden bestsellers. Wat maakt Sedaris zo onweerstaanbaar? Hij vertelt over dingen die hij meemaakt, met name in de omgang met zijn familie. De manier waarop hij zijn wereld met een combinatie van genadeloze spot en grote tederheid beschrijft, doet de lezer letterlijk schaterlachen. Sedaris is zelf de spil: een ijdel, onhandig en een beetje truttig persoon die een niet te stillen nieuwsgierigheid kent. Wie schrijft deze verhalen? Een gesprek met een lieve en grappige man: “Als je een goed verhaal vertelt tijdens een etentje, dan lachen er negen mensen en eentje zegt er: dat kan nooit. Ik haat die persoon.”

Hoe Sedaris werkt

Is jouw leven bijzonder of heb je een bijzonder oog voor komisch detail?
In veel opzichten is mijn leven zelfs nog minder bijzonder dan dat van anderen. Ik zit heel veel op mijn kamer te schrijven, dat is doodsaai. Maar ik denk dat ik een goede observator ben. Mijn uiterlijk speelt daarin mee. Ik ben klein en val niet zo erg op, ook niet nu ik wat bekender ben. Mensen vertrouwen me graag dingen toe, maar ik ben ook oprecht geïnteresseerd in andere mensen en stel altijd veel vragen. Hoe vaak gebeurt het je nou dat iemand alleen naar jou vraagt? Mensen willen altijd over zichzelf praten en ik luister daar graag naar. Laatst ontmoette ik een fotograaf met een glazen oog en een bril. Hij vertelde me dat de bril duurder was dan het oog. Daar kon ik niet over uit. Hoe kan een oog nou goedkoop zijn? Daar begint het mee. Het is vooral een verschil in ervaring en verwerking. Mijn zus Lisa komt thuis en denkt: wat zal ik eten? Ik kom thuis en denk: wat zal ik schrijven? Als iemand onaardig tegen mij doet, vind ik dat vaak fantastisch.

Bestaat het gevaar dat je te zelfbewust wordt, een soort overfocus?
Dat zou zo zijn als ik mijn dagboek elke keer rechtstreeks zou publiceren, maar het is alleen voor mij. Later kan ik er uit selecteren. Mijn angst is wel dat ik over het leven van gisteren schrijf, in plaats dat ik het leven van vandaag leef. Als ik in een nieuwe stad ben, zit ik binnen te schrijven, terwijl ik op dat moment ook allerlei avonturen zou kunnen beleven. Op een rare manier leef je altijd in het verleden. Daar maak ik me wel zorgen over.

Je kunt het ook niet afdwingen, dingen moeten per ongeluk gebeuren. Esquire gaf me een keer een vrije schrijfopdracht. Toen wilde ik per se in een mortuarium werken, omdat ik altijd al veel doden heb willen zien. Het was fantastisch, maar achteraf wilde ik er eigenlijk niet over schrijven omdat ik die mensen zo was gaan waarderen en het meer een ervaring voor mezelf geworden was. Dat voelde niet goed. Ik ben niet naar Japan gegaan om When You Are Engulfed In Flames te schrijven, maar dat gebeurde wel. En als je eenmaal bezig bent, probeer je dat bewustzijn uit te schakelen om de flow te behouden, net zoals je soms net de juiste vraag aan mensen stelt en ze aan een fantastisch verhaal beginnen. Als je dan een vraag te veel stelt, zeggen ze meteen: ben je een journalist of zo? Dan heb je het verpest.

Zou je jouw nieuwsgierigheid kinderlijk kunnen noemen?
Ja, absoluut. Ik wil altijd alles weten, zonder dat ik dat meteen als materiaal zie. Zoals het verhaal ‘Zes tot acht zwarte mannen’, dat over jullie Sinterklaasverhaal gaat. Ik raakte in Amsterdam met iemand aan de praat en die vertelde me doodonschuldig over Zwarte Piet, pakjesavond en de roe. Daar smulde ik van en ik heb thuis nog nooit zo’n succes gehad met een verhaal. Mensen vielen letterlijk van hun stoel toen ik het voorlas. Wat overigens meer over het chauvinisme van Amerika zegt, dan over de absurditeit van jullie feest.

Hier komt ook je reislust uit voort.
De verandering bevalt me, ik vind het leuk om een buitenlander te zijn. Je ogen zijn maar een korte tijd open en daar wil ik gebruik van maken. In Tokyo stak ik een sigaret op en opeens besefte ik me dat niemand rookte. Je bent je hyperbewust omdat je je moet aanpassen. Je kijkt heel goed naar hoe alles gaat, hoe je mee kunt doen. Dat is een mooie tijd, wanneer je van die brandende ogen heb. Na een tijdje stopt het. Maar ik blijf nieuwsgierig. In Duitsland vroeg ik aan mensen: wanneer heb je een van je ouders voor het laatst naakt gezien? Dan dachten ze even na en zeiden ze: welke dag is het? Dat vind ik geweldig, dan ontdek je een klein cultureel feit. Duitsers zijn heel exhibitionistisch, in de VS zie je je ouders nooit naakt.

Illustratie: Joost Dekkers

Waargebeurde verhalen?

Wat vind jij grappig?
[denkt lang na] Belachelijke momenten, waardoor pretenties blootgelegd worden. Mijn zus reist nu met me mee en gisteren pakte ze in de trein opeens een nepmobieltje en begon daar ontzettend luid mee te bellen. “Yes? WHAT? Yeah, I have the chicken. I HAVE THE CHICKEN MARCY! No, I don’t want to talk to Freddy…” Iedereen keek naar ons en ik schaamde me kapot. Maar het was ook heel grappig omdat het mijn pretenties – de broer die in Europa woont en niet wil opvallen [Sedaris woont in Parijs, -red.] – genadeloos blootlegde. Daar hou ik van. Zelfspot is essentieel. Als je anderen belachelijk wilt maken, moet je jezelf twee keer zo hard aanpakken.

Jonathan Safran Foer zei ooit dat hij geen dagboek bijhield omdat hij zichzelf niet herkende in die stem, terwijl hij in zijn fictie wel zichzelf terugzag. Bij jou werkt dat anders.
Dat is juist hoe ik mijn stem vond, via mijn dagboeken. Maar als ik nu dagboeken van dertig jaar terug lees, herken ik me daar ook niet in. De laatste tijd vind ik de persoon in mijn dagboeken echt verschrikkelijk. Er staat niets in over politiek, maar wel eindeloze beschrijvingen van dingen die ik gekocht heb [lacht].

Is het een eerlijkere versie van jezelf?
Ja, en dat is een verschrikkelijk persoon. Ik zou doodgaan als iemand mijn dagboek las, of ik zou diegene moeten vermoorden. Daarom zijn mijn verhalen nooit letterlijke transcripties uit mijn dagboeken.

Je zei ooit: “Niets van dit alles bestaat, totdat ik het opschrijf.”
Ik moet dingen opschrijven om ze te kunnen verwerken. Gisteren was ik naar Makkum, een klein plaatsje in Friesland. Ik was nog nooit in een Nederlands dorp geweest, alleen in de steden. Ik vond het geweldig. [pakt notitieblok en bladert er doorheen] We zijn naar het strand geweest, op de weg terug stopten we bij een supermarkt en daar zat een man in zo’n elektrisch rijwagentje en die had achteruitkijkspiegels, dat vond ik grappig… Maar er gebeurde niets bijzonders. Toch stond ik vanochtend op om dat allemaal in mijn dagboek op te schrijven. Als ik dat niet had gedaan, was ik nu heel onrustig geweest en zou ik alleen maar kunnen denken: “Ik moet nu naar mijn kamer om al die details op te schrijven.” Wie kan het uiteindelijk wat schelen? Niemand. Maar het is compulsief, ik kan niet anders.

Hoe dun is de lijn tussen fictie en persoonlijke non-fictie?
Die lijn is sowieso heel erg dun. Maar ik denk dat het verschil hem zit in het interessant maken van het verhaal. Als ik nu aan jou vertel wat ik vandaag gedaan heb, dan val je halverwege in slaap. Maar als ik met een goede timing en een mooie opbouw bepaalde details voor je uitspel en je enigszins verras, dan zit je op het puntje van je stoel. Dus schrijf ik fictie of non-fictie? Ik heb geen idee en het kan me ook niets schelen. Laatst verscheen er een artikel in de New Republic waarin een journalist me van leugens betichtte. Maar er stond niet dat ik geen vier zussen en een broertje heb, dat ik heb verzonnen dat mijn moeder aan kanker doodging of dat mijn achternaam Sedaris is. Er stond: Sedaris schrijft dat hij in een gesticht heeft gewerkt waarvan hij de bouw als ‘gotisch’ omschrijft. Maar het is meer in de Toscaanse stijl gebouwd! Ja, is dat het dan?

Maar is het sowieso niet heel raar dat ze dat überhaupt onderzoeken? Jouw verhalen zijn toch gewoon wat ze zijn?
Ik snap het ook niet. Als ik voor The New Yorker schrijf, zetten ze ook fact checkers aan het werk. Die zeggen dan: in dit verhaal heeft u het over een klok in uw ouderlijk huis die van mahoniehout zou zijn, maar we hebben uw vader gebeld en die zegt dat hij van kersenhout is. Dat verander ik dan, want ik wil dat soort dingen wel correct opschrijven. Maar soms is het wel irritant. Als je een goed verhaal vertelt tijdens een etentje, dan lachen er negen mensen en eentje zegt er: dat kan nooit. Ik haat die persoon. Als die vervolgens zelf een verhaal vertelt, sterf je van verveling. Ik vind dat er een groot verschil is tussen een krantenartikel over Afghanistan en een anekdote over iets wat je op de basisschool is overkomen. Dat eerste moet kloppen, dat tweede moet gewoon een goed verhaal zijn.

 

IJdelheid

Je bent uiteindelijk via de radio doorgebroken. Nu zijn je audioboeken enorm populair. Je stem is een belangrijk onderdeel van je succes.
Dat vind ik heel vreemd, omdat ik mijn stem haat. Toen ik voor de radio gevraagd werd, verbaasde me dat ook enorm. Het was alsof iemand me vroeg om onderbroekenmodel te worden [lacht]. Waarom ik? Ik kan het ook nooit terugluisteren, dat vind ik echt de hel.

Toch doe je graag lezingen.
Oh ja, daar ben ik gek op! Ik vind het fantastisch om een directe reactie van mijn publiek te krijgen, om mensen te zien lachen. Het is ook confronterend, maar als ik iemand zie weggaan denk ik altijd: dat is een dokter die naar een spoedgeval moet. En als er nog iemand vertrekt denk ik: wat gek, nog een dokter. Zo houd ik mijn onzekerheid een beetje onder controle. Maar meestal waarderen mensen wat ik doe.

Heb je nog steeds dezelfde ijdelheid die je als kind had?
[in zichzelf:] Ja… Ja, dat is waarschijnlijk wel zo. Dat is moeilijk om toe te geven. Soms zeg ik tegen mezelf: je bent 53, is dit nog nodig? [lacht] Maar als je ouder wordt, kun je het wel vermommen. Je staat niet meer schaamteloos te springen om aandacht, terwijl die behoefte niet veranderd is. Nu verpak ik het als onzekerheid, of verlegenheid. Maar natuurlijk is dat onzin. Ik ben ijdel. Dat is waarom ik niet wil dat mensen foto’s van me maken; ik vind niet dat ik er goed uitzie. Ik wil er niet zo uitzien [gebaart naar zijn lichaam], het is niet wat ik voor mezelf gepland had. Maar dat zeg ik niet. Ik zeg: er zijn al genoeg foto’s van me, ik haat het stil staan, blablabla. Als ik vond dat ik er goed uitzag, zou ik de hele dag fotoshoots doen.

De behoefte aan aandacht blijft?
Ik vind al het succes fantastisch. Maar ik ben er wel dankbaar voor. Ik denk dat zoiets maar een korte tijd kan duren, dus geniet ik er met volle teugen van. Op de dertigste avond van een tour sta ik nog steeds in de coulissen te trappelen om het podium op te gaan. Ik vind het nog steeds leuk om signeersessies te doen en dat meen ik. Dit is alles wat ik wilde, dus dan ga ik nu niet opeens blasé lopen doen. Dat zou echt treurig zijn.

Zou je nog steeds schrijven als niemand er interesse in had?
Vroeger vertelde ik verhalen aan de eettafel en nu schrijf ik ze op. Ik zal altijd blijven schrijven, maar ik weet niet of ik zal blijven publiceren. Ik wil op tijd stoppen, voordat de interesse weer verdwijnt, want dat gaat zeker gebeuren. Als je eenmaal voor 3000 man hebt voorgelezen, kun je het niet meer voor 17 mensen doen. Ik denk heel vaak: wat als dit de laatste keer is? Ik zal echt huilen, maar het accepteren. Dus ik hoop dat ik op tijd doorheb wanneer ik niet meer gewenst ben. Dan is het: no hard feelings, en ben ik weg.

De Nederlandse schrijver Simon Carmiggelt kende een vergelijkbare schrijfstijl. Hij was altijd extreem bescheiden en noemde zijn werk ‘een stoet van dwergen’.
[lacht] Zo zie ik dat ook op een bepaalde manier. Ik kijk enorm op tegen schrijvers die grote onderwerpen aanpakken, zoals Jonathan Franzen. Mijn vriend is schilder en als hij naar het museum gaat, komt hij depressief thuis omdat hij vindt dat hij er niks van kan. Dat heb ik als ik Franzen lees. Maar ik denk ook steeds vaker: ach ja. Als je jong bent, wil je steeds anderen zijn. Ik heb mijn stem gevonden. Soms fantaseer ik er wel eens over om mijn nieuwe boek onder een valse naam naar een uitgever te sturen, zodat het niet op mijn naam beoordeeld wordt. Daar maak ik me veel zorgen over, of mensen me niet gebruiken omdat ik nu eenmaal goed verkoop. Maar daarvoor heb ik mijn vriend Hugh, die zal altijd eerlijk zijn. Mijn zelfvertrouwen is best laag, en dat is goed. Als je zelf in de hype gaat geloven, dan heb je pas een probleem.

(Verschenen in De Standaard, 2011)