Interview: Gummbah

Gertjan van Leeuwen (Nieuwaal 1967) tekent onder het pseudoniem ‘Gummbah’ sinds jaar en dag absurdistische cartoons voor onder andere De Volkskrant. Ooit trad hij met Hans Teeuwen en Pieter Bouwman op onder de naam ‘Poelmo, slaaf van het Zuiden – voor meisjes die van paarden houden’. Nu heeft hij een verzameling van ‘Net niet verschenen boeken’ uitgebracht, het resultaat van tien jaar voorleesoptredens. Het boek werd een onverwacht succes na een optreden bij de Wereld Draait Door en is aan de tweede druk toe. Een gesprek met een wereldvreemde, zorgvuldig sprekende Brabander: “Soms denk ik toch: zou ik gewoon gek zijn?”

Tekenen

Is tekenen een neurose?
Als ik het een dag niet gedaan heb, dan krijg ik daar wel last van. Dan moet ik even iets tekenen. Vroeger tekende ik ook alles vol. Op school mochten we niet tekenen tijdens de les, maar dan zat ik met mijn voet te schetsen in de lucht. Dat heb ik nog, dan zie ik iets en dan zit ik het met mijn voet na te tekenen. [doet het voor, droomt weg] Kijk, nu ben ik meteen verloren in een tekening. Ik heb net die drankfles daar nagetekend… Het is niet per se dat ik dingen nateken, dat is niet echt mijn stijl, maar ik zie wel veel dingen die me inspireren tot een tekening over iets anders. Als ik een dikke vrouw zie, krijg ik wel zin om iets met een dikke vrouw te tekenen. Met mooie vrouwen heb ik dat nooit trouwens. Gelukkig woon ik in Tilburg, want daar heb je er niet zoveel.

Je bent het typische voorbeeld van een vreemde eend in de bijt.
Ik zit niet in een bijt, dat wil ik ook nooit. Op school moest dat wel en toen was ik inderdaad wel de rare jongen. Achter mijn rug hoorde ik ze dan fluisteren: “Die is knettergek.” Terwijl ik dat zelf toch niet zo ervoer. Nu ontwijk ik bewust dat soort contexten. Ik woon samen met mijn vriendin, werk thuis en dat is dat. Ik ben ook niet echt een familie-man [lacht].

Zou je zonder succes nog tekenen?
Nee, dat denk ik niet. Op school begin je te ontdekken dat je iets kan, mensen vinden het mooi wat je maakt en je kunt mensen aan het lachen maken. Maar ik heb nooit echt geloofd dat dit mijn beroep zou worden. Ik wist alleen dat ik nooit op een kantoor wilde werken. Dat zou ik nooit kunnen. Daar ben ik ook best een tijdje van in de war geweest, ik zag alleen maar doffe ellende in het vooruitzicht. Ik moest iets verzinnen om daar aan te ontsnappen. Tekenen was een vage optie, maar ik vond mezelf echt te slecht, dus lag ik alleen maar in bed. Ik keek enorm op tegen Franquin, de tekenaar van Guust Flater.

Met Hein de Kort en Kamagurka zag ik pas dat mooi tekenen helemaal niet hoefde, dat schoonheid een grap juist vaak in de weg zit. Nadat ik hoorde dat zij door de Fransman Reiser geïnspireerd waren, kocht ik een boekje van hem. Eerst dacht ik: jezus, die man kan helemaal niet tekenen. Maar toen ik de eerste strip last, moest ik echt schaterlachen. Ik heb dat boekje huilend van het lachen uitgelezen. Dat was een openbaring voor mij: je kunt dus met een tekening iemand keihard laten lachen. Ik ben toen juist lelijker gaan tekenen. Ook daarna werd ik nog enorm vaak afgewezen, maar toen ik 28 was kreeg ik dan mijn eerste betaling voor een tekening.

Hoe daag je jezelf nu nog uit?
Ik probeer niet te comfortabel te worden in mijn positie. Daarom heb ik ooit de Bond Tegen Humor opgericht, omdat ik dacht: waar kun je nou echt geen grap over maken? Over humor dus. Ik denk dat ik in Net niet verschenen boeken minimaal 50 nieuwe vormen van humor bedacht heb. [pakt boek] Kijk, hier heb je een kop met ‘Denktip’ en dan een citaat van Tolstoy en daaronder een plaatje van een man met zijn ogen dicht. Het lijkt daardoor alsof die man over het citaat nadenkt, maar wat is nou de functie van zo’n plaatje? [lacht in zichzelf] Toen ik deze combinatie maakte, voelde ik wel een soort goddelijke genade, hetzelfde wat Michael Jackson gevoeld moet hebben toen hij Thriller schreef.

Je wilt geen pleaser worden.
Ik betrap mezelf er wel eens op dat ik toch mijn oren laat hangen naar het publiek. Ik zit nu op Twitter om reclame te maken en dan toets ik soms ‘Gummbah’ in om te kijken wat mensen over de tekeningen schrijven. Als mensen dan enthousiast zijn over een tekening die ik zelf niet zo vond, dan sleep ik hem vaak toch naar het mapje met de selectie voor de bundel. Het moeilijke aan humor is de zwaartekracht. Je idee moet toch naar het hoofd van de lezer. Als dat niet lukt, ben ik gewoon een raar mannetje op een zolderkamer. In het begin moest niemand iets van dit boek hebben. Er werden er 200 besteld door boekhandels in het hele land. Pas na De Wereld Draait Door – waar ik ook maar zat omdat er een uitvaller was – ging het lopen. Nu is er een tweede druk. Ik dacht toen ik het aan maken was: als het maar af is, ben ik al blij. Maar natuurlijk is 2000 boeken verkopen veel leuker dan 200. Hugo Claus verachtte zichzelf daar echt om, dat hij toch blij werd van een compliment of geraakt door kritiek. Hij vond dat je daar soeverein boven zou moeten staan. Maar uiteindelijk lukt niemand dat. Als je iets gemaakt hebt dat je zelf echt goed vindt en het blijft doodstil, dan ga je toch aan jezelf twijfelen. Dan denk je toch: zou ik gewoon gek zijn?

Absurdisme

Je ietwat vreemde uitstraling brengt je dus wel succes.
Mensen moeten om mij lachen, ook als ik niet iets grappigs zeg. Ik word al mijn hele leven lang bij voorbaat niet serieus genomen, terwijl er toch maar weinig mensen zijn die zo serieus zijn als ik. Het komt denk ik doordat ik de neiging heb om oud-Hollandse woorden te gebruiken en altijd heel duidelijk te articuleren. Dat heb ik van mijn vader. Een paar jaar geleden – hij is inmiddels overleden – vroeg ik wat hij ging stemmen. Toen zei hij: VVD. Hij legde uit dat hij dat al zijn hele leven deed, dus het nu uit gewoonte weer ging doen. Hij stond op om naar de WC te gaan. Toen hij terugkwam zei hij: “Ja, ik ben een VVD-er pur sang.” Daar moesten we toen zo om lachen. Daar had hij dan echt op de WC over nagedacht, hoe hij dat ging zeggen.
Ik trek het ook wel aan. Van de week ging ik biologische groenten kopen, toen zo’n mevrouw me van TV herkende en een verhaal tegen me begon. Op een gegeven had ze het over “Een vakantie van het nu” en toen zei ik dat ik dat een mooie boektitel vond, om het gesprek af te ronden. Maar toen werd ze juist enthousiaster en ging ze nog meer onbegrijpelijke dingen zeggen. Op een gegeven moment vroeg ze aan mij: “Snap je het?” En ik zei naar waarheid: “Nee.” Nou, hilariteit alom. Er had zich inmiddels ook een menigte om ons heen verzameld. Mensen lachen dus om hoe ik heel oprecht ‘nee’ zeg, dat blijft een vreemde gewaarwording.

Als jij echt absurde dingen meemaakt, geloven mensen dat dan nog wel?
Mensen geloven mij heel vaak niet, dat klopt.

Maak je vaak absurde dingen mee?
Er overkomen mij constant hele kleine absurdistische dingen. Dat zit dan vaak in de taal. Er worden voortdurend de meest krankzinnige dingen gezegd. Ik deed gisteren om drie uur ’s middags boodschappen. Toen ik afrekende zei de caissière: “Fijne dag alvast.” Daar snap ik echt helemaal niets van.

Taal is dus de basis van jouw humor?
Als je taal goed bekijkt, is het altijd absurd. De werkelijkheid is al een verzinsel en dan ga je daar met taal, een instrument dat als los zand aan elkaar hangt, duiding aan proberen te geven. Ja, dat levert voortdurend absurdisme op. Die taal en die werkelijkheid zouden hetzelfde moeten zijn, maar ze missen elkaar voortdurend. Soms lijkt iets wel te kloppen, maar als je daar dan goed over nadenkt, dan slaat het alsnog nergens op. Het is de taak van de absurdist om die ontbrekende verbinding bloot te leggen. Om te laten zien dat alles absurd is. Het is eigenlijk absurder om geen absurdist te zijn.

Onzin heeft wel altijd zin nodig.
Klopt, absurdisme is grappig in contrast met wat ‘normaal’ is. Mijn tekeningen werken ook het beste in de krant, in de omgeving van de werkelijkheid. Maar de beste absurdistische ervaring is misschien wel wanneer allerlei krankzinnige dingen achter elkaar gepresenteerd worden, tot je niet meer weet wat normaal was en wat absurd. Met mijn bundels zit je na een tijdje te lachen om hele erge dingen en haal je je schouders op over hele vreemde zaken. Daarom was Twin Peaks ook zo goed, je werd langzaam die gekte in geleid en je slikte alles. Er was maar een ding wat me ergerde, nog steeds eigenlijk, en dat was de vrouw met dat blok hout in haar armen. Dat trok ik niet.

Absurdisme is een heel specifiek soort humor, maar toch enorm populair.
Daar verbaas ik me ook vaak over. Het is ook niet zo dat ik Youp van ’t Hek-achtige oplages heb, maar er is een behoorlijke markt voor. Het maakt me wel gelukkig als ik zie hoeveel gevolg Hans Teeuwen en Jiskefet hebben. Aan de andere kant zijn de Lullo’s het bekendste deel van Jiskefet, terwijl dat bij lange na niet hun beste materiaal was. Mensen zeggen tegen mij ook weleens: ‘Je tekeningen zijn geweldig. En Sigmund vind ik ook zo goed.’ Ja, dan neem ik dat compliment ook niet meer serieus. Je zegt ook niet: ‘Ik vind Venetië een prachtige stad. En Tilburg trouwens ook.’ [lacht] Ik vind dit een hele goede vergelijking.

Fragment uit ‘Net niet verschenen boeken’

Harry Mulisch

Als je al een thema in je werk zou moeten zien, dan is het de parodie op het intellectualisme, met de tekeningen van mislukte schrijvers met hun kutromans en nu weer de ‘Net niet verschenen boeken’.
Ja, dat heb ik zelf eigenlijk nooit bedacht, maar dat is zo. Kijk, ik heb altijd vrij simpele, bereikbare boeken gelezen. Ik was daar heel bescheiden in. Toen pakte ik een keer een boek van Celine en toen ik daarin bezig was, dacht ik: raar dat ik dit kan. Dan ben je verloren en ga je die hele wereldliteratuur af, je leest alles. Langzaam zakt die bewondering dan weer, je merkt dat er veel aanstellers bij zitten. En dan realiseer je je dat 95% aanstellerij is. Daar maak ik graag grappen over. Ik heb een enorme hekel aan kringetjes en wereldjes die vanuit een status bepalen wat mooi is.
Wat dat betreft heb ik ook een hele moeilijke week gehad nadat Harry Mulisch doodging. Dat is – sorry, was – echt een on-ge-lo-fe-lijk slechte schrijver. Ja, je lacht, maar het is waar. Hij heeft heel slim geïnvesteerd in vrienden, die voortdurend verkondigden hoe geniaal hij wel niet was. De Marcel van Dammetjes van deze wereld. Als je maar lang genoeg roept dat iets fantastisch is, denken mensen uiteindelijk: “Nou, het zal wel iets zijn.” Ik hoorde op de radio een fragment waarin Mulisch met echte wetenschappers in gesprek ging, die maakten hem finaal af. Dat was wel weer zielig. Het was ook wel een tragische man hoor, met dat gebroken gezin en die oorlog natuurlijk. Dat moest hij dan allemaal compenseren en Harry besloot dat hij geniaal zou worden. En als je dat dan 80 jaar blijft roepen in Nederland, dan gaan mensen dat vanzelf geloven.

Heb je ook iets tegen Amsterdam? Je bent zelf in Tilburg blijven wonen.
Ik kom voor werk natuurlijk veel in de hoofdstad en dan vragen mensen in het café: waar woon jij? Dan zeg ik: Tilburg. En dan beginnen ze te lachen, omdat ze bedoelden: in welke straat in Amsterdam woon jij. Als ze zien dat het geen grap was, zijn ze oprecht verbaasd. Dan realiseer ik me wel dat het toch ook een soort geuzenactie van me is, om hier te blijven wonen. In Amsterdam kom je al snel in een kringetje van jaknikkers terecht, zie Harry Mulisch. Die zullen nooit over je werk zeggen: “Ik vond er geen reet aan.” Dat past niet in de code. Als je een slechte recensie krijgt, zeggen je vrienden: “Ja, die recensent is een lul, ik ken hem wel.”

Je verliest volledig je kijk op wat echt goed is. Arnon Grunberg, W.F. Hermans, Gerard Reve, A.L. Snijders, Tonnus Oosterhoff: de beste Nederlandse schrijvers wonen ver buiten de grachtengordel. Zodra je met eetclubjes begint, ben je verloren. Ik ben bijna altijd alleen en mijn vriendin is genadeloos in haar commentaar. Die kutschrijvers uit mijn tekeningen zijn mensen die omringd worden door jaknikkers, anders waren ze allang opgehouden.

Toch ga jij ook bij de Wereld Draait Door zitten.
Ja, maar zoals ik al zei, komt dat toch doordat ik een zo groot mogelijk publiek wil hebben. Dat heeft puur met verspreiding te maken en doet niets af aan de kwaliteit. Peter van Straaten maakte een tekening van een schrijver die zegt: “Ik heb besloten dat ik voor een kleiner publiek ga schrijven.” Dat is natuurlijk onzin. Je streeft naar succes, dat is heel logisch. Maar je moet wel een zekere afstand van je publiek bewaren. Oppassen voor wat Ronald Giphart ‘de peristaltiek van de roem’ noemde.

Vroeger was je totaal initiatiefloos, tot je moeder je voor de Academie voor de Journalistiek inschreef en je zo langzaam met tekenen doorbrak. Nu ben je heel ambitieus.
Mijn leven is in hoge mate gestuurd door mijn moeder. Ik ben nu inderdaad heel ambitieus, vandaar ook dat ik mijn tekeningen naar het Engels vertaald heb. Ik moet hiervan kunnen blijven leven. Het is mijn uitweg. Dat moet zo blijven.

(Verschenen op hard//hoofd, 2010)