Deze website is geheel AI-vrij geproduceerd.

Bad

Tijdens de Hele Drukke Periode heb ik geen dag met de kinderen gemist, maar de waarheid gebiedt me te zeggen dat ik er niet echt was. Het doet me denken aan wat Valeria Luiselli ooit zei toen ik haar interviewde: “Hebben mijn kinderen door dat ik er niet helemaal ben, merken ze dat ze soms met een hologram staan te praten?”

Maar toch, ik deed mijn best, wat niet alle vaders kunnen zeggen. Ik kookte, ik deed boodschappen, ik bracht en haalde, ik las voor. Intussen was ik ergens anders, draaiden er talloze andere motortjes in mijn hoofd.

Zo was er het einde van een dag dat ik alleen met de kinderen was geweest. Sterker nog, ik zou een week alleen met hen zijn, terwijl ook de Hele Drukke Periode naar een climax toewerkte. Ik bereikte de grenzen van mijn “window of tolerance” zoals mijn laatste therapeut dat altijd noemde, waarbij ze de vorm van een raam in de lucht tekende.

De hele dag was ik veel te snauwerig geweest, veel te kortaf, want het nadeel van er niet echt zijn, is dat kinderen maar één echte eis hebben: dat je er bent. Telkens weer trokken ze me van alles wat zich dáár afspeelde naar het hier en nu (“Papa-papa-papa-PAPA!”), wat een fijne relativering kan zijn, maar nu maakte het me vooral geïrriteerd.

Nu lagen ze eindelijk in bed, zodat ik in bad een aflevering van The Curse kon kijken (ik heb een speciaal plankje voor mijn laptop zodat ik in bad The Curse kan kijken). Ik was niets meer waard, noch daar, noch hier en nu.

Toen hoorde ik het. Het huiltje van Frenkie, dat ik uit duizenden herken: “Prp-prp-prp.” Heel even hoopte ik dat het een huisgeluid was, of een ander kind, of dat het over zou gaan. Ze is vier jaar, nachthuiltjes zijn inmiddels schaars. Maar het ging niet over.

Ik hees mezelf uit bad, trok een badjas aan en liep druipend naar de kinderkamer. “Hé Frenk, wat is er?” vroeg ik direct. “Papa…” zei ze huilerig. “Ja?” Maar verder kwam er niets. Ik stopte haar in en troostte haar met het egoïsme dat elke ouder weleens toepast: “Nou, ga maar weer lekker slapen, alles is goed. Slaap lekker.”

Ik lag nog geen drie minuten in bad toen ik het weer hoorde: “Brp-brp-brp” en vervolgens een echte, ouderwetse uithaal. Ik stapte uit bad en was dit keer in drie natte stappen bij het bed. “Wát is er?” “Papa…” zei mijn dochter weer. Meer niet. “Wil je water? Heb je honger? Wil je nog een boekje?” “Nee,” zei ze en ze begon weer te huilen. Ik was doodsbang dat ze haar broer zou wakker maken en deed heel stompzinnig: “Sssssst.”

“Wat is er met Frenkie?” klonk een slaperige stem van bovenin het stapelbed. Godverdomme. Nee, nee, nee. “Kijk nou, nu heb je Tinus wakkergemaakt!” Maar Frenkie reageerde nog steeds niet op wat ik zei en huilde alleen maar. En opeens brak ik dwars door mijn window of tolerance heen. Ik begon te stampvoeten en te schreeuwen: “WAT IS ER NOU? WAT? WAT IS ER? IK KAN JE NIET HELPEN ALS JE NIET ZEGT WAT ER IS! HELP MIJ OM JOU TE HELPEN! GODVERDOMME!”

“Papa, ik…” zei ze en ze keek me aan met wanhopige ogen. Toen begon ze over te geven, zoals jonge kinderen met weinig overgeef-ervaring dat doen: het overkwám haar. Alles zat onder. Het bed. Haar haar. Mijn voeten. Ik verzachtte onmiddellijk. “Oh lieverdje, oh nee toch.” “Frenkie kótst papa!” “Dat zie ik ook wel Tinus!”

Nadat het klaar was, tilde ik haar op en zette haar op het bankje. Daarna haalde ik haar ondergekotste knuffels weg, verschoonde snel het bed, trok haar pyjama uit, gooide alles in de badkamer naast mijn inmiddels drastisch afgekoelde bad, tilde haar op en zette haar in de douche, waar ik liefdevol alle stukjes uit haar lange haren waste.

Nadat ze met een schone pyjama en nieuwe knuffels in haar schone bedje lag, moest ik de vloer aanpakken, met ergens in mijn achterhoofd de mogelijkheid van ernstig besmettelijke buikgriep. In mijn stress en haast pakte ik het eerste schoonmaakmiddel dat ik kon vinden: een fles groene zeep. Ik pakte een spons en boende in het halfdonker de grond schoon. Ik zette een emmer naast Frenkie’s bed.

“Jongens,” fluisterde ik uiteindelijk, “sorry dat ik zo boos werd. Dat had ik niet mogen doen. Sorry, vooral voor jou Frenk. Je voelde je gewoon niet lekker hè?” Ze knikte, opeens heel klein en stil. Ik kuste haar hoofdje. “De volgende keer moet je gewoon vragen of ze zich niet lekker voelt papa,” zei haar broer, die nog steeds van bovenin het stapelbed alles zorgvuldig gadesloeg. “Klopt Tinus,” zei ik. Want ik ben van de generatie ouders die ‘sorry’ zegt tegen hun kinderen, en ze soms gelijk geeft. “Oké, welterusten schatjes.”

Op de gang slaakte ik een diepe zucht. We hadden het overleefd. Het was oké geëindigd. Ik liep naar de badkamer om de kleren en beddengoed uit te spoelen en mijn bad leeg te laten lopen, toen ik plotseling Frenkie hoorde: “PAPA! Het… komt… weer…”

Ik sprintte in volle vaart naar de kinderkamer, waar ik op Home Alone-achtige wijze vól onderuitging over de mix van groene zeep en badwater, op mijn heup landde en nog een stukje doorgleed, tot ik precies naast Frenkie’s bed eindigde, waar ik meteen de emmer onder haar kin hield.

“Doe maar schat, het is oké,” hijgde ik. Frenkie keek even aarzelend en zei toen: “Er komt toch niks.” En ze liet zich weer achterover op haar kussen vallen.

In bed bestudeerde ik mijn pijnlijke paarse heup, waarna ik volkomen uitgeput de dekens over me heen trok. Ik wist dat de kinderen over een paar weken, als ik dit verhaal aan de keukentafel zou vertellen, er hard om zouden moeten lachen. Dat ze zouden inzien hoe belachelijk het meeste is wat ik doe. In die zin is hun opvoeding toch meer dan geslaagd.

28-4-2024

︎ nieuwste Kopstuk    X  

© Rutger Lemm