Deze website is geheel AI-vrij geproduceerd.

Ik wil HUILEN


“Rustig,” zeg ik zachtjes tegen mijn dochter tijdens haar vaste woede-uitbarsting van de dag, “rustig.”

Maar eigenlijk zeg ik het tegen mezelf. Haar woede wekt mijn woede op, wat natuurlijk niet zo vreemd is, omdat ze deels uit mij voortkomt. In die zin zijn kinderen de ultieme test voor je persoonlijke groei: je herkent hun driften, maar de enige die kan laten zien dat het ook anders kan, ben jij. Je ziet een mini-versie van jezelf, het kind dat jij deels nog met je meedraagt (en toch ook zo anders), volledig overmand door emoties. En dan ben jij aan zet.

Op de beste momenten kan ik inzien dat ze drie is en haar plek claimt. Dat de wereld haar soms overweldigt, vooral als we ons naar een nieuwe plek verplaatsen. Op de beste momenten ben ik trots op haar orkanische oerkracht. Op de beste momenten kniel ik bij haar neer en blijf ik rustig totdat zij ook rustig is. Op de beste momenten wissel ik ingehouden lachjes uit met mijn vrouw terwijl Frenkie in een hoek van de kamer stampvoetend en letterlijk schuimbekkend schreeuwt: “IK! BEN! DE! BAAS!” Ja, dat is tenminste eerlijk. Daar kunnen we iets mee.

Op de slechtste momenten is het niet duidelijk waar het echt over gaat. Op de slechtste momenten hebben we haast, kriebelt mijn trui en is mijn oudste een verhaal over het Jura aan het vertellen, waarop Frenkie besluit dat ze op dat moment per se, uit alle macht, zonder enige discussie, haar rode muts op wil – de muts die onvindbaar blijkt te zijn. Op de slechtste momenten zet ik me al schrap. Frenkie trekt sneller dan een Porsche op van 0 naar 1000. Ik ben bang voor mijn dochter, dat durf ik best toe te geven.

Op dat soort momenten helpt het niet om “Rustig, rustig,” te prevelen. Op dat soort momenten ben ik soms degene die stampvoetend “IK! BEN! DE! BAAS!” wil schreeuwen.

Ik schaam me ervoor. Maar zo was het, die regenachtige ochtend toen we in ons veel te smalle halletje stonden met nog zes minuten om op tijd op school te komen: ik stond te schreeuwen.

In een impuls besloot ik dat we met de auto zouden gaan. Maar zodra ik mijn krijsende dochter door ons straatje naar de auto had getild, herinnerde ik me dat de autostoeltjes nog boven lagen. Ik reed dus stapvoets, de kinderen weerloos hobbelend op de achterbank – Frenkie inmiddels “IK WIL MIJN STOELTJE” gillend, haar broer met de handen op zijn oren – terug naar huis, flikkerde de stoeltjes op de achterbank, snoerde de kinderen erin en scheurde – binnen de maximumsnelheid – naar school.

Onderweg nam ik de domste beslissing ooit: ik ging met mijn peuterdochter in discussie. “Hou hier nou toch eens mee op! Ik ben er helemaal klaar mee!” “Ik wil HUILEN!” “Je huilt altijd! Gisteravond ook al!”

Ik wil HUILEN: nog zo’n eerlijke reactie. Ik begrijp het. Ik wil ook vaak HUILEN. Het is lekker om te HUILEN. Het is belangrijk om te HUILEN. Het lukt mij alleen nog met bepaalde muziek. Soms zet ik bewust Radiohead op om een potje te kunnen HUILEN. “This dance,” zingt Thom Yorke, “is like a weapon of self-defense. Against the present, the present tense.”

Frenkie houdt van dansen. Ze kan met een jaloersmakende vrijheid bewegen. Elke week breng ik haar naar dansles in een buurtcentrum, een traditie die ik nu al mis. De laatste vijf minuten mogen de ouders naarbinnen om te kijken. Als ik slecht geslapen heb en me zorgen maak over het nieuws zit ik daar met tranen in mijn ogen mijn dansende dochter, de ras-entertainer, te bewonderen.

Nadat ik Tinus bij school had afgezet, deed ik de autodeur open en keek ik Frenkie aan. Haar wangen waren nog nat van de tranen, maar we waren allebei gekalmeerd. “Sorry schatje,” zei ik. “Sorry dat ik zo boos werd.” We zuchtten tegelijk. “Zullen we het goedmaken?” Ze knikte. Ik klom over de stoelen heen om haar te kunnen knuffelen. “Kom,” zei ik vervolgens, “we gaan aan Tinus laten zien dat het weer goed is.”

Hand in hand liepen we de hoek om, alweer licht huppelend zoals we altijd doen als we samen over straat lopen, naar het raam van Tinus’ klas, om even te zwaaien. De klas waar ze over negen maanden zelf zal zitten.

Maar het lokaal was leeg. Het duurde even voor de radartjes in mijn domme, overvolle, moegestreden hoofd in elkaar klikten. En toen kwam het: “OH NEE KUT GYM!”

We renden naar de auto, raceten naar huis voor de vergeten gymtas, raceten terug naar school, sprintten naar Tinus, die al in zijn onderbroek door de gymzaal dartelde, en kleedden hem op de trap om. Maar inmiddels konden we er allemaal wel om lachen.

                                                                                10 maart 2023

︎ nieuwste Kopstuk    X  

© Rutger Lemm